Het theopolitieke denken en spreken van Karl Barth

 

Mij is gevraagd om te schrijven over “Barths feitelijke (m.n. politieke) stellingnames”. Dat is een ingewikkelde zaak omdat Barth als mens en burger in Zwitserland en Duitsland wel politiek stelling heeft genomen (zo werd hij in 1915 lid van de – toen nog ongedeelde – socialistische partij van Zwitserland en in 1932 van de sociaaldemocratische partij van Duitsland), maar dat niet als theoloog of namens de kerk doet. Van de kerk en van de theologen wordt volgens Barth gevraagd, dat ze theologische stellingen innemen, die (ook) politiek relevant zijn. Het meest helder drukt hij dat uit in het voorwoord van het eerste deel van de Kirchliche Dogmatik, dat in 1932 aan de vooravond van de machtsovername door Hitler verschijnt. Hij heeft het daar over de ingrijpende verhelderingen in de theologie die nodig zijn om ook iets over het politieke gebeuren te kunnen zeggen.

Daar zou ik het over willen hebben, over Barths theologische spreken met politieke consequenties en ik noem dat – of dat woord nu wel of niet in Van Dale staat – het theopolitieke spreken van Barth. In kort bestek wil ik het in die zin hebben over Barths reactie op het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog (1), op het einde van de Eerste Wereldoorlog en de revolutionaire situatie in 1919 (2) , op de machtsovername door Hitler (3), op het antisemitisme (4) en op de koude oorlog (5).

 

1.

Tijdens de hele Eerste wereldoorlog is Barth dominee in Safenwil in het neutrale Zwitserland, maar in de jaren 1906-1909 studeerde hij in Duitsland, o.a. bij Adolf van Harnack, Wilhelm Herrmann en Martin Rade (die hij assisteerde bij de uitgave van het vermaarde liberaal-christelijke tijdschrift Christliche Welt). Dat zij allemaal de oorlogspolitiek van keizer Wilhelm II blijkens een manifest ondersteunden, was voor Barth onbegrijpelijk (hij beleefde het als een godsverduistering). Hij is overigens niet alleen teleurgesteld over de reacties van zijn theologische leermeesters (het is ongetwijfeld het radicale begin van Barths afscheid van de liberale theologie) maar ook van de sociaaldemocratie. In een lezing over “Krieg, Sozialismus und Christentum” voor de sociaaldemocratische partij van Oftringen op 6 december 1914 (gepubliceerd in Vorträge und Kleinere Arbeiten 1914-1921, pag. 86-93) schetst Barth puntsgewijs de meest basale opvattingen ten aanzien van de oorlog, zoals die zijns inziens geleerd worden in christendom en sociaaldemocratie: 

Wat Jezus in de wereld heeft gebracht, de geest van zijn evangelie: God dienen en niet de Mammon, daarom opheffing van de kapitalistische belangen, die tot de oorlog voerden. God ons alle vader, daarom geen volkerenhaat. Dienen en niet heersen, daarom geen machtsstrijd. Liever onrecht lijden dan onrecht doen, daarom geen militarisme. Waar deze ordeningen gelden, is het Rijk Gods waarom de leerlingen van Jezus bidden en is dus geen oorlog mogelijk. Voor Jezus zo vanzelfsprekend dat hij geen woord tegen de oorlog sprak!

Het socialisme is een maatschappijordening, die gebouwd is op voorrang van de mens ten opzichte van het dode kapitaal, op de solidaire verplichting van de mensen ten opzichte van elkaar, op de gerechtigheid in hun wederzijdse betrekkingen. In al deze gedachten is de afschaffing van de oorlog mee ingesloten.

Nu zijn we ten opzichte van beide teleurgesteld. In dubbele zin: ze waren niet sterk genoeg om de oorlog te verhinderen (…) Moeilijker is, dat christendom en sociaaldemocratie niet 

alleen niet alleen niet gewonnen hebben, maar er zelf voor omgegaan zijn!

 

2.

Het einde van de Eerste Wereldoorlog is ook de periode van de (in Rusland wel en in Duitsland niet geslaagde) revolutie. Barth doet enthousiast mee en marcheert op 1 mei 1919 met “zijn arbeiders” achter de rode vlag. In september 1919 wordt in Tambach in Thüringen een religieus-sociaal  congres gehouden. Als hoofdspreker is de befaamde Zwitserse religieus socialist Leonard Ragaz gevraagd, maar als hij verhinderd blijkt wordt de rode dominee uit Safenwil uitgenodigd. Hij houdt er zijn befaamde voordracht: “Der Christ in der Gesellschaft”. Hij heeft er dagenlang intensief over gedacht en aan geschreven en houdt uiteindelijk een heel ander verhaal dan Ragaz gehouden zou hebben. Het gaat niet om ‘de christen’ in de maatschappij, maar om ‘Christus’ in de maatschappij (in het Duits kunnen beiden met het woord ‘Christ’ worden aangeduid) en daarmee om het doorbreken van de wereld van God in onze maatschappij (Bonhoeffer zou dat als leerling van Barth de ‘Christuswirklichkeit’) noemen. De door hem wel geadviseerde keuze voor de sociaaldemocratie (‘mithoffend und mitschuldig’) is een politiek-zakelijke en niet een religieuze, want Christus kan niet vastgelegd worden in welke religieuze of politieke richting dan ook. Dat dezelfde hoogleraren die eerder de oorlogspolitiek van Wilhelm II verdedigden, zich nu uiterst kritische opstellen ten opzichte van de republiek van Weimar wordt door Barth ten zeerste betreurd.

 

3.

Als Hitler op 30 januari 1933 tot rijkskanselier wordt benoemd, ligt Barth daarvan in eerste instantie nauwelijks wakker. Aan zijn moeder in Zwitserland schrijft hij: “Ik geloof niet dat dit in wat voor opzicht ook het aanbreken van grote nieuwigheden zal betekenen…. Daarvoor zijn vooral ook de betrokken personen van te weinig formaat.”  Maar het gaat anders. SA en SS nemen ‘de straat’ over en een meer dan imposante fakkeloptocht moet alle Duitsers overtuigen, ‘dat er een nieuwe tijd aanbreekt’. Ook velen in de kerk zwichten daarvoor. In eerste instantie roept Barth niet op tot verzet (in tegenstelling tot Bonhoeffer die een ‘predikantenstaking’ voorstelt naar aanleiding van het invoeren van de ariërparagraaf in de kerk), maar hij roept vooral op om niet mee te doen aan de gekte. De kerk heeft zich niet ingezet voor de sociale revolutie (integendeel), is niet enthousiast geworden voor de Weimarrepubliek, waarom zou ze nu opeens in alle staten zijn en Hitler beschouwen als de door God geschonken leider. Schoenmaker houd je bij je leest. Theologen, predikanten, waakt ervoor dat je nu niet je theologische existentie verliest, lijkt Barth te zeggen in zijn beroemd geworden brochure Theologische Existenz heute. “Alsof er niets gebeurd zou zijn”. Maar hij doet dit, omdat hij er – getuige het voorwoord van KD I/1 waarmee we begonnen – vast van overtuigd is, dat als die theologen zich bij hun leest houden en dus de Schrift uitleggen, hen daarin duidelijk zal worden hoe onmogelijk steun aan het nationaalsocialisme is.

 

4.

Na de weigering de eed op Hitler af te leggen, verliest Barth zijn baan in Bonn en moet Duitsland verlaten. In Zwitserland wordt hij de drijvende kracht in het Zwitsers hulpcomité voor de Bekennende Kirche in Duitsland. In dat kader worden verschillende joodse betrokkenen bij de B.K. geholpen naar Zwitserland te ontkomen. De in 1942 geschreven paragraaf 34 van de K.D. (over de verkiezing van de gemeente) beschouw ik als een poging tot theologische onderbouwing van zijn strijd tegen het antisemitisme. Dit tekent tegelijk de kracht en de zwakte van Barths opvatting over de verhouding van theologie en politiek. Barth houdt in deze paragraaf onverkort vast aan zijn afwijzing van het antisemitisme, maar de onderbouwing daarvan (waarin b.v. het joodse volk ook wordt omschreven als een “pre-existente gemeente”) is niet vrij van traditionele antijudaïstische opvattingen. Een simpele verdediging van zijn strijd tegen het antisemitisme op grond van de mensenrechten had ook kunnen volstaan, maar strookt niet met Barths benadering. 

 

5.

Tijdens de oprichtingsvergadering van de Wereldraad van Kerken in Amsterdam (in augustus wordt daar de zeventigste verjaardag herdacht) vindt er een stevige clash plaats tussen Karl Barth en John Foster Dulles, de latere minister van buitenlandse zaken van de V.S. Barth vindt niet – en misschien is dit wel een understatement – dat kerk en christendom zich als vanzelfsprekend onderdeel moeten laten maken van het westerse kamp in de koude oorlog. Zijn  positie is bovenal die van de anti-anticommunist. Tijdens de Hongaarse crisis van 1956 doet Barth er het zwijgen toe, niet omdat hij het eens is met de inval, maar omdat hij weet, dat als hij zich daartegen uitspreekt hij zichzelf in het kamp van het Westen zou plaatsen. Dan krijgt hij in 1958 een brief van een dominee in de D.D.R., die duidelijk maakt, dat hij op zich geen tegenstander is van het socialisme, maar heel veel moeite heeft met het feit, dat het hem door allerlei beperkende maatregelen bijna onmogelijk wordt gemaakt zijn werk te doen. Barth begrijpt en respecteert dit standpunt en besluit dan zijn stilzwijgen te verbreken en schrijft een uitvoerige open brief (een persoonlijke brief zou de betrokken predikant mogelijk in moeilijkheden brengen). De brief werd als brochure gepubliceerd door het Evangelisches Verlag Zollikon en later afgedrukt in Offene Briefe 1945-1968. Barth neemt in zijn brief de eerste brief van Petrus als uitgangspunt. Er moet vast in het geloof weerstand worden geboden aan de tegenpartij, de duivel die rond gaat als een brullende leeuw. Maar wie is de tegenpartij? Dat is volgens Barth niet het communisme zonder meer, maar slechts voor zover zij probeert kerk en theologie af te houden van haar eigenlijke taak. Daartegen moet weerstand geboden worden. Maar Barth wijst ook op het slot van 1 Petr. 5,9 waar gesproken wordt over het lijden, dat aan al uw broeders in de wereld opgelegd wordt. Bedreigingen van de christelijke en theologische existentie komt hier en daar (in Oost en in West) voor en het gaat er dan ook om, dat we hier en daar trouw blijven en vast houden aan ons geloof.