Theologische existentie als vorm van verzet (Ophef 2018/4)

 Wilken Veen

 Dit is de enigszins bewerkte en voor de controleerbaarheid van enige noten voorziene weergave van een inleiding, die ik op 4 december hield voor het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie, waarvan ik de predikant ben.

 

Toen ik ruim zevenentwintig jaar geleden het laatste deel van mijn dissertatie schreef over Karl Barth in het jaar 1933, noemde ik dat: “Theologische existentie als verzetshouding?”. Dat vraagteken is nu weg, dat wil zeggen: ik ben er nu van overtuigd, dat theologische existentie een verzetshouding kan zijn, maar ik noem het nu een vorm van verzet, want: het kan ook anders. Het kan altijd anders. Misschien is dat wel het belangrijkste wat je Barth kunt verwijten ten aanzien van zijn  houding ten tijde van het nationaalsocialisme, dat hij zo overtuigd was van zijn eigen theologie en strategie, dat hij zich nauwelijks voor kon stellen, dat er ook andere wegen waren. Zo beschouwde hij Tillich en andere religieuze socialisten als een bepaald soort liberale theologen (waarvan hij niet veel moest hebben), terwijl ze bondgenoten hadden kunnen zijn, ware het niet dat zij al eerder dan Barth zelf ontslagen waren en in het geval van Tillich ook weg uit Duitsland. Desondanks: Barths keuze van “voor alles vasthouden aan je theologische existentie” is een vorm van verzet, is een begaanbare weg gebleken. Barth had deze keuze al veel eerder gemaakt. Zo schrijft hij in het voorwoord van het in 1932 verschenen eerste deel van de Kirchliche Dogmatik, “dat hij er vast van overtuigd is, dat het tot de ophelderingen, in het bijzonder op het wijde veld van de politiek, die vandaag nodig zijn en waarover de theologie vandaag een woord zou willen zeggen (daarover zou ze dan ook een woord moeten hebben om te zeggen), niet kan komen, zonder dat het daarvoor gekomen is tot die omvattende ophelderingen in de theologie en over de theologie zelf, waarom het hier moet gaan”1.

In het voorjaar van 1933 is er bij Barth voortdurend op aangedrongen, dat hij zich helder uit zou spreken over zijn positie ten opzichte van de politieke en kerkelijke situatie zoals die ontstaan is door de machtsovername door Hitler op de dertigste januari van dat jaar. Barth ontwijkt dat doorlopend in die maanden. In eerste instantie, omdat hij meent dat het hele gedoe met Hitler wel weer snel over zal waaien2. Niet zo gek als je bedenkt, dat de regeringen voor hem slechts zes maanden (Franz von Papen van juni tot november 1932) en acht weken (Kurt von Schleicher van 3 december 1932 tot 30 januari 1933) stand hadden gehouden. Bovendien wist Barth heel goed wat er van hem verwacht werd, namelijk dat hij zich net als bijna alle andere kerkleiders en vooraanstaande theologen in die periode enthousiast uit zou laten over de nieuwe (volgens velen door God gezonden) regering en vooral de rijkskanselier aan het hoofd daarvan. En dat wilde Barth zeer beslist niet doen. En als hij zich uiteindelijk wel uitspreekt dan wil hij het niet hebben over de situatie (‘die Lage’) maar over de zaak (‘die Sache’). Je zou een vergelijking kunnen trekken met de Tambacher Rede, waarover door Dick Boer werd gesproken. Men hoopte en verwachtte, dat Barth daar zou spreken over ‘de christen in de maatschappij’, maar hij sprak over ‘Christus in de maatschappij’. Inderdaad in het Duits ‘Der Christ in der Gesellschaft’ is het verschil niet te horen. Zo zet hij de lezers op het verkeerde been zet, want hij wil hij het natuurlijk wel degelijk hebben over de situatie, maar meent, dat dit alleen verantwoord kan gebeuren, wanneer er helderheid is over de zaak waarover het in de theologie gaat.

Als Barth in juni 1933 zijn Theologische Existenz heute publiceert is dat nog een ‘Beiheft’ van Zwischen den Zeiten, het tijdschrift voor Dialektische Theologie, dat sinds 1923 verscheen en waarin naast Barth en Thurneysen onder andere ook Friedrich Gogarten, Emil Brunner en Rudolf Bultmann schreven. Nog één keer zal nadien een preek van Barth in dat tijdschrift verschijnen, maar in het najaar van 1933 stopt Zwischen den Zeiten. In het laatste nummer 1933/5, zie je naast een enthousiast bericht, dat van Theologische Existenz heute in twee maanden tijd meer dan 24.000 exemplaren verkocht zijn en dat er inmiddels een zevende druk is verschenen, ook de aankondiging van het wel heel erg foute boek van Max Maurenbrecher, Der Heiland der Deutschen. Wat samen na het echec van de eerste wereldoorlog op zoek wilde naar nieuwe wegen, brak uiteen onder invloed van het opkomend nationaalsocialisme: Friedrich Gogarten en zijn medestanders werden lid van de beweging van Duitse Christenen, Barth en Thurneysen zetten het als pamflet verschenen Theologische Existenz heute voort als serie onder dezelfde naam, waarvan in de tweede helft van 1933 nog vier nummers zouden verschijnen, grotendeels gevuld met teksten van Barth. Naast de genoemden waren er velen, die niet goed begrepen, waarom deze breuk noodzakelijk was en die dan ook oprecht betreurden.

 

“Alsof er niets gebeurd was”

Barth spreekt dus wel degelijk over de situatie, maar wil dat bewust niet expliciet doen, omdat hij denkt dat de situatie, namelijk die van het alom bejubelde Derde Rijk, daarmee teveel gewicht krijgt. Hij formuleert het zo: “Het beslissende, dat ik vandaag over deze zorgen en problemen probeer te zeggen, kan ik daarom niet tot onderwerp van een bijzondere mededeling maken, omdat het volstrekt niet actueel en concreet eenvoudig daarin bestaat, dat ik mijn best doe, hier in Bonn met mijn studenten in colleges en practicums net als voorheen en alsof er niets gebeurd was – misschien op licht verhoogde toon, maar zonder direct op de dingen in te gaan – theologie en alleen maar theologie te bedrijven.. Een beetje zoals het koorgezang van de Benedictijnen in het nabij gelegen Maria Laach ook in het Derde Rijk ongetwijfeld zonder onderbreking en zonder daarvan afgeleid te worden volgens de vaste orde door is gegaan. Ik houd het erop, dat dit ook een stellingname is, in ieder geval een kerkpolitieke en indirect zelfs een politieke stellingname”3.

Om het een beetje populair te zeggen: “Laat je niet gek maken”. Want dat is wat Barth eigenlijk vindt van de hele ophef over de nieuw ingetreden situatie, het is een vorm van hysterie. Jawel, en dat zal Barth zeker ook begrepen hebben, een georganiseerde hysterie, maar daarom niet minder onzinnig. Op 30 januari wordt Hitler benoemd tot rijkskanselier en op 31 januari trekken in heel Duitsland miljoenen Duitsers de straat op in gigantische fakkeloptochten, om dit in te luiden als het begin van een nieuw tijdperk. Ongetwijfeld bedacht door Joseph Goebbels, de grootmeester van de propagandatechniek en vanaf die dag ook minister van propaganda op een voor hem in het leven geroepen en binnen de kortste keren buitengewoon invloedrijk ministerie van propaganda en volksopvoeding. De SA gaat voorop in deze fakkeloptochten en als je op straat bent kun je nauwelijks anders dan meelopen, want ze zijn in uniform en van de ene op de andere dag omgetoverd van relschoppers tot staatsinstelling. Wie dan rustig blijft, zich niet gek laat maken en dus ook niet meedoet met deze hysterie, kortom wie doet “alsof er niets gebeurd is”, die geeft daarmee inderdaad een statement af.

 

Theologische existentie

Wat is dat, in de situatie van 1933 doen alsof er niets gebeurd is? Barth geeft daar een opvallende invulling aan: hij noemt het ‘je theologische existentie niet verliezen’ of ‘je theologische existentie bewaren’. Ik ga er op grond van het hierboven gezegde vanuit, dat een theologische existentie ook kerkpolitieke, ja zelfs politieke consequenties heeft. Van mijn goede vriend Dick Boer zijn de artikelen, die hij door de jaren heen her en der publiceerde uitgegeven in een bundel met de titel “Theopolitische Existenz – von gestern, für heute”. Het is duidelijk dat hij hiermee hint op het door mij hier besproken geschrift van Karl Barth, maar voor de minder goede verstaander heeft men dat onmiskenbaar duidelijk willen maken door een foto van de voorkant van Barths geschrift op het omslag af te drukken. Het eerste wat ik mij afvroeg, toen ik dat boek van Dick in handen had, was, of Barth die uitdrukking “theopolitieke existentie” ook gebruikt had kunnen hebben of in ieder geval weten te waarderen. Ook hier is Barth mijns inziens weer dialectischer dan de dialectische theologen, want ik ben ervan overtuigd, dat hij die uitdrukking heel bewust – in ieder geval in 1933 – niet gebruikt zou hebben en waarschijnlijk zelfs ten stelligste afgekeurd zou hebben, terwijl het zonneklaar is, dat zijn theologische existentie natuurlijk duidelijk politieke, in de zin van antifascistische trekken had. Het zij duidelijk, de existentie van Dick Boer was en is een theopolitieke en daar heeft hij ook nooit doekjes om gewonden. Als lid van de CPN en als lid en bestuurder van de beweging Christenen voor het Socialisme heeft hij zich altijd zowel theologisch en politiek helder uitgesproken, ook wanneer zijn politieke stellingname niet direct voortkwam uit zijn theologische opvatting. Barth heeft zich later in andere situaties ook wel directer politiek uitgelaten. Ik denk aan zijn beroemd geworden Hromadka-brief en aan de door Hebe Kohlbrugge naar Nederland gesmokkelde brieven aan het Nederlandse kerkelijke verzet, waarin hij hen aanspoorde trouw te blijven in het verzet tegen de bezetting en de fascistische dictatuur4. Dat hij dat in 1933 niet doet en bewust ook niet wil doen, heeft er natuurlijk mee te maken, dat de vermenging van theologie en politiek, van theologie en nationalisme, van “Theologie und Volkstum” nu juist zo alom tegenwoordig was in die jaren. Barth herinnert in dit verband aan de revolutionaire periode van direct na de Eerste Wereldoorlog, de tijd waarin hij zijn Tambacher Rede hield. Dat was een revolutie, waarvoor hij, anders dan voor deze bruine contrarevolutie, wel sympathie had, maar desondanks vond hij dat zijn sympathie hiervoor niet bepalend kon zijn voor de manier waarop hij de Schrift begreep en uitlegde. Zo zou hij nu ook zijn antipathie niet bepalend laten zijn. En daarmee kritiseerde hij de in Duitsland gangbare (kerk)politiek opstelling, waarbij de kerkleiders zich eerst (in de periode na de Eerste Wereldoorlog) hadden laten bepalen door hun afkeer van de dreigende sociale revolutie en zich daarom tegen de republiek van Weimar en tegen de democratie hadden uitgesproken en geopteerd voor een herstel van keizerrijk en vorstendommen en zich nu uit sympathie voor de ‘nationale herleving’, zoals zij dat plachten uit te drukken, enthousiast uitspraken over Adolf Hitler, als de door God gezonden leider en redder van het Duitse vaderland.

Wat is theologische existentie, een bestaan als theoloog? Het is niet een beroep (in de dubbele betekenis van dat woord) en ook niet een roeping (al is het óók een beroep en een roeping) het is volgens mij de concrete praktijk van een dienaar van het goddelijke Woord of hij nu in een kerkelijke gemeente of aan een theologische faculteit werkt. Hij verkondigt het Woord, maar hij leeft ook met dat Woord, hij staat ermee op en hij gaat ermee naar bed en bij alles wat hij doet en zegt probeert hij/zij te bedenken of dat strookt met dat Woord (ik zeg niet ‘overeenkomen’, maar bewust ‘stroken’, het is geen fundamentalisme, maar een nadenkende of contemplatieve manier van leven). Dat is je taak als theoloog, dat is je door God gegeven opdracht en die moet je nakomen en vasthouden. Dus ook als je je uitspreekt over politieke omstandigheden, doe je dat als theoloog. Dat betekent niet dat je een theologisch standpunt uitspreekt, maar dat je ook als je iets over de politiek zegt, je afvraagt of je dat vanuit je bestaan als theoloog (waarvan ik aanneem dat het na verloop van jaren in het beste geval een soort tweede natuur wordt) eigenlijk wel kunt zeggen. Dat is bijvoorbeeld de reden van de grote woede die zich van Barth meester maakt, wanneer hij leest dat bijna al zijn leermeesters in 1914 een verklaring onderschreven, waarin ze zich opstelden achter de oorlogspolitiek van de Duitse Keizer. Hebben ze g.v.d. hun bijbel, hun geweten en hun theologische existentie even buiten de deur gezet? (u begrijpt, mijn formulering, niet die van Barth). Daarom stelt Barth terecht: Het ergste wat ons in deze situatie (die van 1933) kan overkomen is dat we onze theologische existentie verliezen.

Je theologische existentie bewaren, dat betekent je serieus afvragen of je als theoloog wel een ariërverklaring kunt ondertekenen en of je als theoloog wel een eed op de Führer af kunt leggen? En tenslotte je ook afvragen of je als theoloog niet geroepen bent om in verzet te komen, een lijdzaam verzet in de vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid en tenslotte misschien ook een actief verzet als alle andere middelen uitgeput zijn. Waar het zo gaat wordt je theologische existentie en het vasthouden daaraan als vanzelf een verzetshouding.

 

Het verzet van Barth

Daarmee zeg ik natuurlijk niet dat Karl Barth die dit zo voortreffelijk geformuleerd heeft, zelf in alles vanuit zijn bestaan als theoloog de juiste conclusies heeft getrokken. Zo heeft hij mijns inziens – en dat heeft hij later ook zelf toegegeven – veel te laat ingezien, dat de positie van Joden binnen en buiten de kerk een status confessionis vormde, die om spreken en handelen vroeg. Bonhoeffer schrijft zijn beroemde “Die Kirche vor der Judenfrage”, waarin hij voorziet dat de kerk uiteindelijk niet anders zal kunnen dan ‘een spaak in het wiel te steken’, wanneer de regering blijft doorgaan met het stelselmatig discrimineren en vervolgen van Joden, al in april 1933, direct na het invoeren van de ariërparagraaf voor overheidsdiensten. Barth denkt dan nog dat het wel los zal lopen en als Bonhoeffer in september, als de bruine synode in Pruisen besluit dat die paragraaf ook in de kerk doorgevoerd moet worden en Joodse predikanten ontslagen moeten worden, oproept tot een predikantenstaking (dat is niet eenvoudig te organiseren dus stelde hij concreet voor dat ze zouden weigeren uitvaarten te leiden), zegt Barth, dat andere zaken belangrijker zijn en dat het tenslotte maar om een handjevol predikanten van Joodse komaf ging. Zoals gezegd, Barth heeft hier later veel spijt van gehad en nadat hij in 1935 ontslagen is vanwege zijn weigering een onvoorwaardelijke eed van trouw aan Hitler af te leggen en is uitgeweken naar Zwitserland, zal hij daar niet alleen een hulpcomité voor de Bekennende Kirche in Duitsland opzetten, maar zich ook inzetten om Joden uit Duitsland te helpen vluchten en er voortdurend op aan blijven dringen, dat de Zwitserse regering zich niet door de Duitse onder druk laat zetten om Joodse vluchtelingen te weigeren op te nemen. Zijn consequent vasthouden van wat hij als zijn theologische existentie beschouwde, heeft overigens ook in Zwitserland wel tot problemen geleid. Niet alleen met de Zwitserse overheid, die uit angst voor het verliezen van hun neutraliteit, Barth doorlopend probeerde af te houden van als provocatief beschouwde uitspraken en publicaties, maar ook met medestanders, die het theologisch niet over alles eens waren met Barth. Zo maakte hij binnen het genoemde hulpcomité ruzie met Emil Brunner, omdat ze het theologisch niet eens waren over de formulering van de positie van Joden in kerk en theologie. Gelukkig kwam Barth hier uiteindelijk wel tot de conclusie, dat het beter was deze kwestie te laten rusten dan het hulpwerk ermee in gevaar te brengen. Ook met Willem Visser ’t Hooft lag hij regelmatig in de clinch. Dat ze beiden het verzet tegen Nazi-Duitsland wilden steunen stond buiten kijf, maar Visser ’t Hooft had daarbij aanmerkelijk meer ook voor diplomatie, dan Barth ooit zou krijgen. De hele, juist in deze jaren zeer uitvoerige, correspondentie tussen Barth en Visser ’t Hooft is inmiddels na te lezen.5

 

Theologische existentie vandaag

Het in eerste instantie als eenmalig bedoelde pamflet Theologische Existenz heute, wordt een reeks. Een reeks waarin, in de eerste jaren vooral Barth zelf zijn visie uit zal dragen, maar die later in een ge-update vorm spreekbuis zal zijn  van Barthiaanse theologen in Duitsland6. Dat het een reeks wordt, betekent ook, dat Barth zijn oproep niet als eenmalig met het oog op de vorming van de ene Reichskirche had gedacht, maar als een soort motto met blijvende geldingskracht. Dat vraagt dus om een antwoord op de vraag: wat betekent theologische existentie voor ons vandaag, of: hoe kunnen wij vandaag onze theologische existentie bewaren en als we dat doen wat voor politieke consequenties heeft dat dan voor ons vandaag. Het zal u niet verbazen, dat ik daar geen vlot en eenduidig antwoord op heb. In de eerste plaats zou ik willen zeggen, dat dit nu juist de vragen zijn, waarom een kerk niet zonder leerhuis kan. Ik bedoel daarmee, dat het vragen zijn die bediscussieerd moeten worden, zowel onze werkelijkheid als de Schriften moeten doorgespit en uitvoerig beklopt worden. Wat het principiële antwoord betreft, kan ik kort zijn. Wat Barth zegt, geldt ook vandaag nog onverkort. De mens, en zeker de theoloog (wat mij betreft graag in die volgorde) leeft bij “alle Woord, dat uit de mond Gods uitgaat”, we moeten er verdacht op zijn wat Hij ons zeggen wil. En ik ben nuchter genoeg (en misschien ook wel vrijzinnig genoeg) om onmiddellijk te zeggen, dat we geen donderende stem uit de hemel verwachten, maar Schrift en werkelijkheid bestuderen en analyseren om vast te stellen wat ons te doen staat, wat wij naar eer en geweten beschouwen als dat wat God van ons vraagt. En omdat het geen donderende stem uit de hemel is, betekent het dat we er zo nu en dan ook duchtig naast kunnen zitten (daarvoor is dat overleg natuurlijk ook nodig om anderen de kans te geven jou te zeggen, dat je er gruwelijk naast zit). Een aantal jaren geleden schreef Colet van der Ven, dat het ergste wat ons kan overkomen is, dat we ophouden na te denken. Ik ben onmiddellijk geneigd om dat als een Bonhoefferiaanse niet-religieuze interpretatie van onze theologische existentie te beschouwen. Laat je niet meeslepen, blijf nuchter, blijf waakzaam, gebruik de talenten die je gegeven zijn om de dingen te doorzien. En natuurlijk voor mij als theoloog is het Woord Gods een soort bril waardoor ik naar de werkelijkheid kijk, waar ook als dat Woord schaars is, en ik kan mij niet onttrekken aan de indruk dat het schaars is in onze tijd, kunnen we niet met de armen over elkaar blijven zitten en zelfs niet met de handen gevouwen. Ook dan moet er geleefd en nagedacht en gesproken en gehandeld worden. Ik gaf, nadat ik dat eerder met Marcel Poorthuis bij Pardes had gedaan, dit najaar opnieuw een cursus aan de hand van De profeten, van Abraham Jehoschua Heschel7. Heschel spreekt over het ‘pathos’ van de Eeuwige. Pathos is niet zo zeer een gevoel, maar het gevoel. Het kan verschillende vormen aannemen: hartstocht, liefde, barmhartigheid, maar ook boosheid en woede. De profeet is degen die, ik neem aan ook op grond van studie van de Schriften en de werkelijkheid, het pathos van de Eeuwige mee te voelen en van daaruit te spreken. Dat is dus profetisch spreken. Daar kun je hoogdravend over doen en proberen ingewikkeld vast te stellen, wanneer de kerk wel en niet profetisch zou moeten spreken, maar Calvijn noemde het gewoon een taak van de voorganger. En als je er minder spastisch mee omgaat en heel goed weet, dat je er naast kunt zitten, ook als je, zoals Buskes het uitdrukte, voor Gods rekening moet spreken, dan kun je je ook gemakkelijker uitspreken over politieke kwesties, want één ding is voor mij zonneklaar, en ik ben ervan overtuigd dat Barth het ook zo bedoelde: theologische existentie, toen en nu, kan niet betekenen dat je je alleen met theologie bezig houdt en je alleen daarover uitspreekt. Een kerk is hopelijk meer dan een “pleisterplaats voor de ziel”, zoals die van ons zich afficheert8.

 

 

Noten:

 

1 Karl Barth, Kirchliche Dogmatik I/1 München: Kaiser Verlag 1932, Zürich, TVZ 1975 9e druk, pag. XI. Het citaat is net als steeds in dit artikel door mij vertaald..

2 In deze zin had Barth zich (geruststellend) uitgelaten in een brief aan zijn moeder van 1 februari 1933.

3 Theologische existenz heute!, voor het eerst uitgegeven in juni 1933 door het Kaiser Verlag in München en verschijn t nog in datzelfde jaar onder de titel Bezinning, in Nederlandse vertaling bij Daamen’s uitgeversmaatschappij in Den Haag. Behalve in de heruitgave van alle TEH’s door Kaiser in drie dikke banden in 1980, werd het in 1984 in de nieuwe seirie Theologische Existenz heute als nr. 219 door Kaiser uitgegeven in een door Hinrich Stoevesandt van inleiding en uitvoerig notenapparaat voorziene uitgave. Tenslotte werd het ook opgenomen in het in 2013 in het kader van de Barth Gesamtausgabe verschenen deel: Vorträge und kleinere Arbeiten 1930-1933.

4 De genoemde brieven, de laatsten met als opschrift  “An meine Freunde in den Niederlanden” en “Brief nach Holland”, zijn alle opgenomen in Karl Barth, Gesamtausgabe, Offene Briefe 1935-1942, Zürich: TVZ 2001, als de nummers 17, 40 en 43.

5 Karl Barth Gesamtausgabe V Briefe, Karl Barth-Willem Adolf Visser ‘t Hooft. Briefwechsel 1930-1968, Zürich, TVZ 2006.

6 De eerstgenoemde reeks bestaat uit de nummers 1 tot en met 77 en verschijnt in de jaren 1933-1941. In 1946 wordt de nieuwe reeks (aangeduid als Theologische Existenz heute! N(eue) F(olge) opnieuw met een nr. 1 gestart. In 1984 zal het laatste nummer (221) verschijnen.

7 A.J. Heschel, De profeten, Vught: Skandalon 2013, vertaling van A.J. Heschel, The Prophets, New York: Harper Collins 1962.

8 De protestantse kerk van Amsterdam is zo trots op die slagzin, dat ze alle predikanten visitekaartjes bezorgde waarop het onder de aanduiding Protestantse Kerk van Amsterdam te lezen stond. Op mijn uitdrukkelijk verzoek is ingestemd met het feit, dat ik datzelfde visitekaartje kreeg zonder dat motto. Omdat ik tenslotte leerhuispredikant was (en kennelijk minder met de ziel van doen had) konden ze daar wel mee akkoord gaan.