LATE en Obrecht – serie over ethiek, 16-12- 2019.

Bart Voorsluis

Charles Taylor en de ethiek van de authenticiteit  

Een moreel ideaal is een beeld van wat een betere of hogere levenswijze zou zijn, waarbij ‘hoger’ of ‘beter’ niet wordt gedefinieerd in termen van wat we toevallig verlangen of nodig hebben, maar een norm bieden voor wat we behoren te verlangen of nodig hebben. Ch. Taylor, De Malaise van de Moderniteit.

Inleiding

Taylor wil het hebben over de kwalen van de moderne tijd. Die kwalen zijn het doorgeslagen individualisme en wat hij noemt ‘het primaat van de instrumentele rede’. Deze thema’s koppelt hij aan een debat dat in de Westerse wereld wordt gevoerd. Zijn bedoeling is om de vaagheid van dat debat te verhelderen, dat gaat over begrippen zoals authenticiteit en zelfverwerkelijking. Dat zijn  kernnoties die even dierbaar worden gekoesterd als hevig worden gehaat. Dat laatste is onterecht volgens Taylor. Hij voert een pleidooi voor de eigenlijke kracht en betekenis van datgene wat hij als een ideaal beschouwt. Veel hedendaagse vormen zijn een ontaarding van dat ideaal. Wat nodig is, zijn herstelwerkzaamheden om het ideaal van authenticiteit opnieuw zin te geven. 

Moraal en ethiek

Voordat ik Taylor echt aan het woord laat, nu wel eerst de vraag: wat doet een beschouwing over deze aspecten van het moderne zelf in een serie over ethiek? Zijn geschrift draagt de titel ‘The Ethics of Authenticity’. Maar hier lijkt toch eerder sprake van  moraal of moraliteit. Destijds heeft Damiaan ons het onderscheid ingescherpt. Zoals ik het heb begrepen: Moraal als een min of meer afstandelijke analyse van het proces dat betrokken is op het ethische handelen. Ethiek als formulering van de voorwaarden waaronder, zoals Damiaan zegt, ‘Verbindlichkeit’ mogelijk is. Taylor haalt ze door elkaar, maar ons lijkt het verschil relevant. Ik kom later op deze kwestie terug. Voorlopig vraagt iets anders onze aandacht. 

Verworvenheden en kwalen

Uitgangspunt van Taylor zijn twee prestaties van de moderne tijd. We hebben te maken met een ongekende vooruitgang. Het gaat om het moderne individualisme en om de rationele benadering van de werkelijkheid. Die blijken echter ook hun duidelijke schaduwzijden te hebben. Mensen maken zich daarover zorgen.  

1) De invloed van het individualisme heeft onze Westerse beschaving en samenleving ontegenzeggelijk  op een hoger plan gebracht.. Vrijheid om te kiezen hoe je wilt leven en de bescherming daarvan door wetten behoren tot onze grote verworvenheden. Onderworpen zijn aan een sacraal geachte maatschappelijke orde die mijn keuze bepaalt,  is ondenkbaar geworden. Tel je zegeningen. Al gaat de bevrijding sommigen nog niet ver genoeg en vinden ze de hiërarchieën nog onvoldoende ontmanteld, toch Toch gaat het om datgene waarvan afstand doen zelfverminking zou betekenen. Toch is er ook een donkere kant aan.  Onze vrijheid was de uitkomst van bevrijdingsproces. De orde waarvan werd bevrijd, de vaste structuren werden als beperkend ervaren. Niettemin gaven ze het individu ook een plaats, veelal binnen een orde die hemzelf oversteeg. Zijn bestaan kreeg binnen die orde relevantie en deelde die met anderen, met dingen en gebeurtenissen. Ze verwezen naar de orde en de structuren van de werkelijkheid waren verwijzingen naar hen: de grote keten van zijn.  De arend die troonde boven alle vogels en de leeuw als de koning der dieren gaven gestalte aan een symboliek die eigen was aan wat Taylor een ‘ kosmische orde’ noemt: omvattend, totaal en van grote schoonheid. Een dergelijke symboliek maakte het moeilijk om de wereld vooral als materiaal te zien voor onze eigen projecten. Daarvoor was de moderne wetenschap nodig die ‘onttovering van de wereld’ bracht. De orde werd ongeloofwaardig bevonden en de gevolgen van die ontmanteling van de orde zijn ingrijpend geweest en kenmerkend voor de Moderniteit en de klachten. Individualisme bracht voor sommigen de klacht mee dat de bevrijde mens ‘was opgesloten in de eenzaamheid van zijn eigen hart’, en zich koesterde in een armzalige behaaglijkheid, zoals enkele critici het zeiden, teloorgang van een zekere bestaansheroïek, verplatting en vernauwing van het leven. In de huidige authenticiteitscultuur krijg dit van het individualisme en de kritiek daarop de volle aandacht. De critici betichten het van een ziekelijke in beslagname van het zelf door zichzelf. Een atomistische ik-gerichtheid die gevoed wordt een opvatting dat relaties binnen samenleving of met anderen de medemens geen inhoudelijke, maar slechts instrumentele waarde hebben. Die ontmanteling van de kosmische orde zal ons nog verder bezighouden.  

2) De tweede kwaal van onze tijd staat in verband met de eerste, het wegvallen van het geloof in een gedeelde orde, waarin de dingen zijn opgenomen. Taylor ziet het zo: wat zijn betekenis verliest als die orde wordt opgeheven, daagt uit om betekenissen die mensen eraan moeten geven. Ook hier is de winst onmiskenbaar. Beheersing van de werkelijkheid die ingezet kan worden om eigen doelstellingen te realiseren, bracht de mens in veel opzichten op een hoger levensplan. Exploitatie van de natuur staat ons nu tegen, maar ze betekende tevens emancipatie en bood een rijker bestaan. Dit heeft ook zijn schaduwzijden getoond, die velen nu verontrusten. Bedreigend is de alomtegenwoordigheid van de zogeheten ‘instrumentele rede’. Dat is een vorm van rationaliteit die de meest spaarzame middelen berekent voor een gesteld doel. De hoogste efficiëntie, de beste inbreng-resultaatverhouding als maatstaf voor succes. De uitbreiding van deze vorm van de rationaliteit naar domeinen die daarvoor nauwelijks geschikt zijn,  is voor velen een schrikbeeld. De eigen maatstaven voor zo’n gebied (de gezondheidszorg) krijgen steeds meer te lijden onder de vreemde van efficiëntie. Het meeste prestige ontleent de instrumentele rede misschien wel aan de technologie. Onze beleving van de wereld lijkt onder die invloed te staan. Hier wordt geklaagd over een verlies aan weerklank en diepte van de dingen, over de vervangbaarheid van solide objecten door vluchtige producten, een wereld die (Marx) ‘vermeldt in de lucht’ en geen vastheid meer kent. Een apparatenwereld die distantie schept van onze leefomgeving. De bedreigende gestalte van de instrumentele rede zijn de onpersoonlijke mechanismen die ons leven zijn gaan beheersen, ‘ijzeren kooi’ (Max Weber) waarin we gevangen zitten. De bevrijding daaruit is volgens sommigen alleen mogelijk door totale ontmanteling van markt en staat.   

Deze schets van onze situatie, die wordt beheerst door individualisme en instrumentele rede en de gevolgen ervan (positief of negatief) vormt de achtergrond van datgene wat Taylor ons te zeggen heeft over noties als authenticiteit en zelfontplooiing. We kunnen die verstaan als vormen van individualisme en als reactie of antwoord op de ineenstorting van de kosmische orde. Ze zijn te situeren in de Romantiek, met voorlopers in de achttiende eeuw.   

Verloren bronnen en historisch onderzoek

 Het onderwerp is de hedendaagse authenticiteitscultuur en de kritiek daarop, we schrijven de jaren negentig, maar de kritiek is al ouder. Critici als Daniel Bell, Christopher Lasch en Alan Bloom houden begrippen als zelfontplooiing en authenticiteit verantwoordelijk voor één van de genoemde kwalen van de moderne tijd. De critici doen graag een beroep op oudere waarden. Taylors bedoeling is om deze concentratie op het zelf en de effecten ervan nader te onderzoeken op hun motieven. Dat onderzoek richt zich  op de historische bronnen van authenticiteit. Dat is kenmerkend voor zijn denkwijze, de auteur van het omvangrijke Bronnen van het Zelf. Het ontstaan van de moderne Identiteit. Taylor zou je een historiserend denker kunnen noemen. Door ontstaan en ontwikkeling van begrippen na te gaan wil hij onze eigen situatie verhelderen. Op welke wijze hebben bepaalde aspecten van het moderne zelf gestalte gekregen en vooral: welke menselijke motieven en idealen hebben daarin de rol gespeeld? Als we daar achter komen, kunnen we misschien de critici  die het huidig individualisme op de korrel nemen, van repliek dienen en de roep om herstel van oude waarden weerstaan. Opvallend is de brede opzet van zijn analyse. Gesteund door een omvangrijke kennis peilt hij hoe het moderne zelf van zich laat spreken in de hele cultuur, van filosofie tot beeldende kunst en literatuur. Maar hij zet die kennis ook in om ter verheldering van het debat tussen voorstanders en tegenstanders, dat naar zijn mening lijdt onder een ondraaglijke vaagheid. Zo’n historische benaderingswijze houdt voor Taylor niet een zoektocht naar zuiverheid in.  Geschiedenis niet een soort filter voor hem. Evenmin is het zijn bedoeling om terug te gaan naar een soort onbelaste oorsprong. Hij is niet nostalgisch ingesteld. Zijn omgaan met de geschiedenis is geëngageerd, serieus en ook dialogisch. Juist historische ontwikkelingen hebben ons te zeggen. Teruggaan naar de bronnen verrijkt ons begrip. Maar vooral confronteert het ons met wat in vergetelheid is geraakt. Die vergetelheid speelt ons danig parten, tot schade van ons inzicht. Transformatie en verrijking, maar ook vervorming en ontaarding van een oorspronkelijk ideaal. Niets mag als verloren worden beschouwd. Maar eerst opdelven, voordat het als onszelf herkend kan worden.  

Het debat en zijn misverstanden

Het moderne individualisme is volgens de critici uitgelopen op een desastreuze en modieuze vorm van cultuurrelativisme en een narcistische, ik-gerichte levenswijze die, ondanks de fraaie bewoordingen, uit is op platte genotsbevrediging. Bezorgdheid daarover is geboden omdat deze authenticiteitscultuur een brede kring aftrek heeft gevonden en vooral intellectuelen in spe erdoor zijn bevangen. Veel van deze opvattingen kunnen worden teruggevoerd op de jaren zestig, met hun ongebonden levenswijze.  Authenticiteit en zelfontplooiing zijn de schone schijn en het wordt tijd dat deze cultuur van de authenticiteit in haar ware gedaante wordt ontmaskerd als een extreme vorm van individualisme. Taylor reflecteert op dit verwijt, dat in zijn beschouwingen steeds terugkeert. Hij is niet er niet mee eens. In zekere zin geeft hij de critici gelijk want bepaalde hedendaagse vormen van authenticiteit verdienen die kritiek. Maar toch maken de tegenstanders r een ernstige fout. Wat zij aanzien voor authenticiteit, bestaat in wezen uit uitwassen en vervormingen van een ideaal, dat op z’n minst de moeite waard is om het te verdedigen.. War de uitingen ervan wordt genoemd en de afkeuring opwekt, benvat méér van dit ideaal dan wordt beseft. Begrippen als authenticiteit en zelfontplooiing zijn ons veel meer eigen geworden. Om te beginnen moeten we maar eens onderscheid maken tussen twee vormen van individualisme. Enerzijds een houding die is geconcentreerd op het ik, met de werkelijkheid tegenover mij. Taylor noemt die houding vrije wilsbeschikking. Of het nu gaat om maatschappelijke verhoudingen, intieme contacten, de natuur of de geschiedenis, steeds is sprake van een atomistische zelfbeeld, waarin de werkelijkheid wordt gezien als materiaal voor eigen projecten en ambities en relaties als instrumenten ten behoeve van het zelf.  Over de andere vorm van individualisme komen we nu uitgebreid te spreken. Verwarring tussen beide vormen is tot op zekere hoogte te begrijpen, maar fataal. Het onderscheid, daar gaat het om. Taylor richt zich op herstelwerkzaamheden en daarvoor is onderzoek van de historische bronnen vereist.

Herstelwerkzaamheden I : twee hoofdbronnen van het authenticiteitsideaal

De eerste bron. Trouw aan jezelf zijn en de stem van het geweten

Taylor  begint zijn onderzoek aan het einde van achttiende eeuw. Daar liggen bronnen van het moderne zelf, het zijn niet de enige maar wel belangrijk. Authenticiteit is tot bloei gekomen in de Romantiek, decennia later, maar het zich al eerder aan. Het gaat dan om een nieuw inzicht in wat we als mens zijn. Dat wordt afgezet tegen een besef dat al oud was, maar sterk vervaagd. Het gaat om de gedachte dat gedachte de mens in zichzelf verdeeld is en verscheurd door een conflict tussen goed en kwaad  Willen we ontdekken wie we zijn, dan moeten we ons verdiepen in onszelf. Vanuit het christendom en de klassieke Oudheid waren ons dergelijke inzichten al aangereikt – Augustinus wist van die innerlijke strijd en ook de Stoa. Het leek erop dat er een reprise werd beoogd van die inzichten. Echter, hoe waardevol ook, het nieuwe inzicht behlst iets wat duidelijk anders is en in een ander kader staat. Want wat ontdekken we in die zelfinkeer? Voor de vertolker van dit besef, J.J. Rousseau, is dat een stem, de stem van het geweten of de natuur, zoals hij zegt. Ons geweten geeft ons leiding, de natuur is onze hoogste raadgeefster. Dit stem is typische modern, volgens Taylor. Zelfonderzoek  als een weg leidt niet naar God als diepste wezen en leidsman, zoals in de klassiek opvatting. Het doel van deze zoektocht is erop gericht om het contact met onszelf dat we dreigen te verliezen of al hebben verloren, te herstellen. Of, zoals Rousseau het treffend formuleert: ‘le sentiment de l’existence’. Treffend, maar moeilijk. In elk geval als ervaring van overweldigende vreugde en overgave, aan jezelf en ook aan de natuur. (Rêveries d’ un promeneur solitaire). 

Onze roeping

Dat is de opdracht die we hebben en het is hard werken omdat zich niet alleen in onszelf maar ook buiten ons, andere stemmen roeren die die stem in onszelf overschreeuwen. Het is onze missie in het leven om die tot zwijgen gebrachte stem opnieuw te laten klinken. Dit is een nieuwe vorm van individualisme volgens Taylor. Verinnerlijking is in de Westerse cultuur steeds een belangrijk motief is geweest. Maar zelfkennis komt hier het nieuwe kader te staan: contact met jezelf als waarde en doel in zichzelf. Wij moeten in staat worden geacht om een strijd aan te gaan die niet bij voorbaat kansloos is. Het intieme contact met de innerlijke stem krijgt daarin een zelfstandige status, die zich kán laten horen ongeacht al het andere. Regels en geboden, voorschriften, maatschappelijk, cultureel of religieus, zijn van minder belang en leiden ons af van dat contact. Nog belangrijker: zelfs ongeacht God.   Het is de verwoording van dit cruciale inzicht: trouw aan jezelf is de hoogste waarde. Daarin ligt volgens Taylor een ongehoord nieuwe wending die het moderne individualisme heeft doorgemaakt, een nieuwe versie van de inkeer. Ze zijn van nauwelijks te overschatten betekenis geweest voor het ontstaan van noties als authenticiteit en zelfverwerkelijking. De kern van het moderne zelfbegrip is een morele opdracht, hij legt hier steeds de nadruk op. Je bestemming vinden in trouw aan jezelf. Er is sprake van een moreel ideaal. Dat moeten we niet vergeten. Helaas is dat wel in het vergeetboek geraakt. 

Tweede bron: Ik beteken zelf iets, de waarde van het verschil 

Dit proces krijgt volgens Taylor inhoud en stootkracht door een andere ontdekking, ook nieuw in die tijd. Dat vindt zijn ontstaan in het besef dat mensen onderling verschillend zijn. De betekenis en de waardering van dat verschil heeft grote gevolgen gehad voor de manier waarop wij ons hebben ontwikkeld tot het moderne zelf. Ook hier gaat het om iets wat kenmerkend voor de moderne tijd kan heten, maar met oude wortels. Dat mensen zich onderscheiden van elkaar was nauwelijks  een nieuw inzicht. Hier gaat het echter om de betekenis ervan en de wijze waarop dit doorwerkt in onze identiteit. Taylor is geneigd om ons besef van identiteit (‘wat zijn wij, waar komen we vandaan?’) op dit inzicht terug te voeren. Traditioneel in de filosofie kreeg dat verschil pas betekenis tegen een achtergrond, niet op zichzelf genomen. Die achtergrond betrof een wezen, een fundamentele eigenschap die door alle mensen werd gedeeld als de essentie van  de mens: een dier met rede begaafd (animal rationale). Daaraan was ook de onfeilbare maatstaf ontleend omdat alle menselijke uitingen en mogelijkheden hieraan werden afgemeten. Onderlinge verschillen kregen betekenis vanuit dit eigenste criterium voor menszijn. Hier ligt echter een groot verschil met het nieuwe inzicht, volgens Taylor. De nieuwe ontdekking houdt in dat verschillen tussen mensen op zichzelf betekenis hebben. Dat mensen verschillen van elkaar is een gelukkige omstandigheid, een basis voor positieve waardering. Elke mens afzonderlijk is in het bezit van een eigen, oorspronkelijke manier van zijn. De  Duitse filosoof J.G. Herder was een welsprekend woordvoerder van dit inzicht: ‘dass ich etwas bedeute’, de uitdrukking van een ontluikend besef van moderne identiteit als individualiteit. Belangrijk is niet het verschil op zichzelf genomen, maar de betekenis die de inhoud ervan heeft. Dat mensen in grootte van elkaar verschillen, dat jij en ik evenveel haren op ons hoofd hebben, dat mijn lengte precies die is als de hoogte van een hek, zal niemand als wezenlijk beschouwen. Dat gegeven van overeenkomst en verschil is irrelevant. Verschillen tussen mensen in hun identiteit zijn significante verschillen. (tussen haakjes die betekenis bepaal ik maar ten dele zelf). Onbetekenende eigenschappen die van elkaar verschillen zijn hier dus niet aan de orde. Herder zegt het bloemrijk: Elke persoon beschikt ‘over een eigen maat waaraan hij gemeten kan en moet worden, als het ware een eigen stemming waarmee hij bepaalt wat hij is’. 

Een eigen maat

Ook dat is een invloedrijke gedachte gebleken met rijke uitwerkingsmogelijkheden volgens Taylor. Het houdt in eerste instantie in dat mijn leven langs deze maatstaf moet worden geleefd, pas dan werkelijk betekenis heeft. Maar vooral ook dat mijn levenswijze geen nabootsing dient te zijn (of beter: mag zijn) van iets of iemand anders. Voorbeelden, als ze ter navolging worden gezien, zijn toch altijd nog mijn voorbeelden. Door anderen worden geïnspireerd is zeker zinvol. Maar klakkeloze imitatie ligt op de loer. Was zelf denken en zelf handelen niet het credo van de Moderne Tijd/ Nadoen zonder meer is dan zoiets als verraad aan jezelf plegen. Door het nieuwe concept van individualiteit krijgt dit inzicht een geheel bijzonder karakter. De opdracht luidt het op het spoor komen van de mogelijkheden van het eigen zelf, het peilen van eigen capaciteiten. Dit is een ontwikkeling in het denken die niet op zichzelf staat. Als dit een verbinding aangaat met die andere ontdekking, de trouw aan jezelf, wordt dit inzicht krijgt dit inzicht vleugels en diepte.  De moderne roman is ontstaan in dezelfde tijd. De mens ontdekt zijn innerlijk landschap en raakt gefascineerd door wat hij aantreft. Zowel in het nieuwe verhalende genre als meer reflexief en zonder deze ontdekking waarschijnlijk geen moderne psychologie.  

Het nieuwe zelfbesef

Deze twee factoren, de stem van het geweten en de exploratie van eigen mogelijkheden, zijn de bronnen van een nieuw zelfbesef en de motieven achter authenticiteit en zelfverwerkelijking. De ontwikkeling daarvan moet worden gezien als uitwerking daarvan. Het gaat hier niet alleen om levenswijzen die het onderwerp zijn van onze keuze. Eerder is het zo dat ze de mogelijkheden van die keuze zelf tot bewustzijn brengen..In dat opzicht kunnen ze, met hun verworteling in de recente geschiedenis, worden beschouwd als historische grondslagen van ons beeld als vrije mensen. Beter nog: zelf als gestalten van vrijheid.

Moraal en ethiek opnieuw: Hoezo: ethische problematiek?

Ik wil nu even inhouden. Het wordt tijd om een vraag van het begin te beantwoorden: Wat heeft een beschouwing over het moderne zelf nu te maken met een ethische problematiek? Ik kan dan verwijzen naar het begincitaat van Taylor ( ).  Het gaat hier om een criterium voor onze levensopvatting en levenswijze, dat wordt geformuleerd als een ideaal. Ik ben geneigd om in dit normatieve een verbinding te zien met de ethiek. Maar Damiaan maakte het onderscheid tussen moraal en ethiek. Taylor haalt ze dan misschien wel door elkaar. Maar in zijn beschrijving van authenticiteitsideaal zijn toch ook de onmiskenbare trekken te onderscheiden van ethische beginselen. Damiaan heeft ze genoemd in verband met de ethiek. Het eerste is verplichting, ‘Verbindlichkeit’, trouw aan jezelf. Het tweede is vrijheid. Realisering van vrijheid als hoofdkenmerk van de moderne identiteit. Tot zover enige overeenkomsten met Damiaans opvatting. Maar de parallel gaat nog verder.

Platoonse ideeën: het Ware, het Goede en het Schone

Damiaan heeft het ethische denken verbonden met de Platoonse ideeën van het Ware, Het Goede en Het Schone. In authenticiteit en zelfverwerkelijking zijn, denk ik, deze ideeën terug te vinden. Het Goede is vertegenwoordigd in de trouw aan jezelf en de verplichting aan het ideaal. Het Ware is te vinden in de ontdekking van je eigenlijke zelf als de waarheid die jij alleen kan kennen. Ontdekken wie je zelf bent, de waarheid omtrent jezelf ontdekken, is de inhoud van de opdracht om jezelf te zijn.  Waar is nu het Schone gebleven? Die vraag brengt ons bij het vervolg van de geschiedenis. De opdracht om jezelf te zijn heeft het karakter gekregen van verwerkelijken wat in jezelf zit. Het gaat dan niet zozeer om wat ik ben, maar wat ik kán zijn. Dat morele ideaal heeft, met name in de Romantiek, heeft een nieuwe gestalte gekregen. Het heeft, volgens Taylor contact gezocht met de kunst en is met haar een uiterst vruchtbare relatie aangegaan met de kunst. Door de verbinding met haar is het ideaal pas ten volle tot ontplooiing gekomen. 

Herstelwerkzaamheden II: artistieke intuïties als verrijkende inzichten voor authenticiteit

Eerste verrijking. Het expressivisme en de verschillende aspecten van expressie  

Het ideaal van authenticiteit werd, zegt Taylor, verrijkt met intuïties die de artistieke verbeelding s heeft geboden. Het oorspronkelijke besef van originaliteit  krijgt nader vorm in de ontdekking van gemeenschappelijkheid: het ideaal van authenticiteit en de verbeeldingskracht in de kuns hebben iets fundamenteels gemeen. Dat is expressie, uitdrukking. Alle nadruk komt dan te liggen op zelfexpressie als het vermogen van de mens om tot zichzelf te geraken. Taylor spreekt in dit verband van expressivisme en verduidelijkt dit met een voorbeeld. Als ik boos ben, kan ik me beheersen maar geef ook vaak blijk van mijn boosheid. Ik geef dan uiting aan wat in mij is. Maar niet zelden ontdek ik meer boosheid in mezelf dan ik uit. Pas nadat die tot uitdrukking is gebracht, ben ik daar achter gekomen. Het belangrijkste is het naar buiten brengen zelf tot verbazing van mezelf. Expressie laat dus zien wie ik zelf ben, primair aan mezelf. Volgens Taylor is sprake van een nauwe verbinding tussen verschillende begrippen. Hij drukt dat uit met de term expressivisme. Expressivisme is de bijdrage aan het ideaal van authenticiteit. Het duidt aan duidt aan: uitdrukking, die zowel verheldering is als verwerkelijking. Het gaat daarin om een vorm van zelfkennis die gebaseerd is op een handeling, het tot uitdrukking brengen. ‘Ik wist niet dat ik het in me had’, drukt dat heel goed uit. In dit expressivisme ligt een overeenkomst met de artistieke verbeeldingskracht. Ook de  kunstenaar lijkt iets tot uitdrukking te brengen wat in hemzelf leeft, maar wat hij tevoren niet kende. Pas in de uitdrukking ervan leert hij het kennen of herkennen als iets van hemzelf. Expressie slaat niet simpelweg op een medium als uitdrukking, als iets wat aanwezig is naar buiten komt. Expressie is essentieel voor de inhoud van war wordt uitgedrukt. uitdrukking en inhoud vallen als het ware samen. Ook dat betekent iets nieuws volgens Taylor. Betekenis is niet iets wat van buiten wordt gegeven, alsof de uiting ervan kan worden losgemaakt. Uiting en betekenis hebben een intrinsieke relatie. Het andere nieuwe wordt duidelijk uit de vergelijking met de klassieke opvatting over potentialiteit, wat in potentie aanwezig is en tot werkelijkheid wordt, de eikel en de eik. Een eikel kán alleen maar een eik worden. Dat betekent: het stramien ligt vast, evenals het einddoel. Een schema dat ook voor de mens geldt. Expressivisme verschilt daarvan. Het expressivisme houdt in dat de mens datgene wat alleen hem of haae eigen is tot uitdrukking brengt. De kans is echter groot dat het om iets onbekends gaat, iets war pas manifest wordt in de uiting.  Het gaat in het nieuwe ideaal dus om verschil, diversiteit, variatie op wat mensen zijn en anderzijds om expressie als wijze van ontdekken van eigen identiteit en orginaliteit. Het begrip is doortrokken van een nieuw individualistisch vrijheidsbesef: geen vaste standaard, maar vrije zelfontplooiing en zelfs verrassing. 

Het kunstwerk en de nieuwe zelfverwerkelijking

Volgens Taylor komt in de Romantiek het ideaal van authenticiteit en zelfverwerkelijking in de ban van de kunst. Ook hier zijn de trekken te onderscheiden van het nieuwe zelfbeeld. Ten eerste is er de geleidelijke overgang van nabootsing en navolging naar eigen originaliteit, van imitatie naar creatie. Dat is de simpele aanduiding van een gecompliceerd proces. De beeldende kunst biedt een voorbeeld. De kunstzinnige uitbeelding richtte zich niet langer op getrouwe weergave van de natuur of de geïdealiseerde gestalten daarvan. Dat de natuur – in welke vorm ook – leidend is en zo de uitbeelding van de werkelijkheid  meer tot kunst wordt (natura artis magistra), dat gold langzamerhand niet meer als maatstaf. Schilderijen van Caspar David Friedrich noemt Taylor als voorbeeld van zelfstandige composities waarin interne verwijzingen de voorstelling bepalen. Deze ontwikkeling weerspiegelt een ander proces, dat we al eerder zijn tegengekomen. Het verval van een gedeelde orde werd ook hier zichtbaar. Publieke referenties en correspondenties waarin de kunstenaar steun kon vinden voor zijn verbeeldingskracht, raakten in toenemende mate ongeloofwaardig en onverstaanbaar voor de beschouwer en de lezer. De nieuwe originaliteit is dan wel geen direct gevolg geweest van dit ongeloofwaardig worden, Taylor ziet wel een verband. Meer uitgesproken nog bij een andere expressievorm, de literaire verbeeldingskracht, in het bijzonder de poëzie. 

Subtielere talen

Daarover werd uitgebreid nagedacht door dichters als Shelley, die sprak van ‘subtielere talen’ om uit te drukken wat nodig was. Die reflectie resulteerde in nieuwe opvattingen over het gedicht. Het gedicht niet als verbeelding van een bestaande werkelijkheid maar de poëzie die als het ware zijn eigen werkelijkheid schiep. Als toegang daartoe gold affiniteit met de poëtische verbeeldingswereld van de auteur. Die is eens door een criticus is weergegeven met het beeld van de spiegel en de lamp, de weerschijn van een bestaande werkelijkheid tegenover het licht waarmee dat de dichter werpt. Coleridge sprak van een ‘vrijwillige opschorting van  ongeloof’ als voorwaarde om het kunstwerk re genieten. Taylor gaat uitgebreid in op wat hij een waterscheiding in de moderne cultuur noemt. Er is sprake geweest sprake van een nieuwe vrijheid van de verbeeldingskracht, aangedreven door het beeld van de kunstenaar als schpper bij uitstek. Ieder zijn eigen kunstenaar als opdracht aan onszelf. Die vrijheid was echter niet onbeperkt en bleek zich moeilijk te laten begrenzen. het vertrouwde conflict tussen kunstenaar en maatschappij, tussen wat sociaal acceptabel is en een bewust overschrijden van grenzen, is een geliefd onderwerp van kunstenaarsbiografieën. Daarnaast bleek de concentratie op eigen creativiteit en originaliteit de toch al individualiserende tendens van het authenticiteitsideaal een sterke impuls te geven. Hoe boeiend ook, ik ga daarop niet nader in. Mijn bedoeling was om een indruk te geven van ontstaan en ontwikkeling van authenticiteit als moreel ideaal. Ook de kanteling van waardering voor de rationaliteit in de periode en de opkomst van de gestalte van de kunstenaar als ideaal van het menszijn, zijn interessante gevolgen van de nieuwe wending. Ook zij blijven onbesproken. Voldoende is de constatering dat hier sprake is geweest van een overgang van logos naar poièsis in het mensbeeld.  

Tweede verrijking. Schoonheid als eigen categorie

Als bevestiging van de andere kijk op kunst  toch nog een tweede opvallende parallel, die tussen kunstopvatting en intiem contact met jezelf als opdracht, beide als doel in zichzelf. Ongeveer in dezelfde periode komt de behoefte op om te weten wat kunst eigenlijk is. De ontdekking dat ze verschilt van andere menselijke mogelijkheden, leidde tot de vraag wat het onderscheidende kenmerk was., Met welke categorie kon dat worden benoemd? Als antwoord hierop deed een nieuw begrip zijn intrede: het esthetische. Met deze categorie kreeg de kunst – voor het eerst – een eigen status en positie toegekend. Het wezen van de kunst wordt gezocht in wat ze teweegbrengt. Kunst gaat over schoonheid en schoonheid is, in de definitie van  Kant: ‘datgene wat alleen om zich zelfs wil voldoening geeft’. Dat staat op zichzelf en kan niet worden herleid tot andere levensvormen of strevingen, zoals geluk om, verlangen naar of bevrediging van iets. Het Schone biedt vervulling in zichzelf, is zichzelf genoeg, doel in zichzelf, geen ander doel dan dat. De parallel met het contact met jezelf als morele opdracht berust niet op toeval.

 

Vrijheid

Ik heb over het ideaal van authenticiteit gesproken, het ontstaan en de ontwikkeling ervan geschetst en getracht het verband aan te geven. Ze waren uitdrukking van de totstandkoming van het moderne zelf en vonden binnen dit kader plaats en betekenis.  Ook hebben we Plato genoemd en de ideeën van het Ware, het Goede en het Schone. Het Ware vonden we in de zoektocht naar het echte zelf. Het Schone stond in het verband van het ideaal met de kunst en de creativiteit van de kunstenaar als voorbeeld daarvan. Het Goede was aanwezig in het verplichtende karakter van de trouw aan jezelf. Er blijft nog één begrip over dat, bij nader inzien alle andere noties doortrekt en doordesemt en steeds weer teruggevonden wordt. Een begrip dat kenmerkend mag heten voor de Moderne Tijd. Dat begrip is vrijheid.