MYSTIEK ALS EEN BRUG IN DE OECUMENE?   MEISTER ECKHART EN JUAN DE LA CRUZ OVER GELOOF EN GELOOFWAARDIGHEID.

 

1.MYSTIEK

De kortste interreligieuze omschrijving van mystiek, om te beginnen, zou kunnen zijn: het eenwordingspoces met God in het verlangen van de mens. Eenwording, met respect voor differentie, is wat het Johannesevangelie laat horen in Joh 17,21: “Dat zij allen één mogen zijn”, motto van de oecumene in de christelijke kerken. De vraag is of ‘mystiek’ in dat moeizame eenwordings-proces een brugfunctie kan vervullen. Met het evangeliecitaat zijn de Schriften open gegaan en de vraag naar de relatie met de Joodse wortels van mystiek. Vijf pijlers uit de Tenakh als ijkpunten voor de realiteit van het verlangen van de mens naar de ontmoeting met de Eeuwige of HaSjem, de Naam (Exodus 20):

1.Bevrijding uit het slavenhuis: de mystieke weg is een Uittocht uit knechting.

2.Géén beeld van de Ene kan voldoen, ofwel: altijd Transcendentie in Nabijheid

3.Het vieren van de Sjabbat als een paleis in de tijd. De persoonlijke ervaring van de Sjabbat verplicht tot inzet voor de Sjabbat van de gehele schepping. 

4.De Godsontmoeting is een gebeuren in dialoog, zoals in het Bijbels Hooglied (dialoog zowel in natuurmystiek als zijnsmystiek en bruidsmystiek).

5.De Eeuwige is een verborgen God (naar Jesaja 45,15).

Een tweede poging tot omschrijving van christelijke mystiek: het is de talige verwijzing naar open ervaring – ervaring die ontsnapt aan of bevrijd wordt van definiëring – van het Godsgeheim, waarin de liefde voor Werkelijkheid alle ruimte ontvangt; een ervaring van grenzeloosheid in het denken, de ziel en het lichaam, geworteld in de kenotische grondstructuur van het verlangen. De christelijke-evangelische paradox is immers: wie zichzelf ontledigt (verliest) in navolging van Jezus Messias, die ontvangt zichzelf terug op een nieuwe wijze (vgl. Mat 17,25). Zij/hij ontvangt een ‘nieuwe naam’ en ervaart grenzeloze Ruimte. Wat is in die ervaring de betekenis van twee bijbelteksten die als hermeneutische sleutels worden beschouwd voor de mystieke weg, namelijk  Ex 3,14 (openbaring van de Naam: Ik-zal-er-zijn) en Joh 14,2 (in het huis van mijn Vader zijn vele verblijven: oneindige ruimte in het Huis van de Vader)?

 

2.HET EGO: AUTONOMIE OF GELATENHEID?

Meister Eckhart (1260(?)-1328(?)) is Lesemeister en Lebemeister. In de Parijse periodes dat hij Magister is (1302-1303/1311-1313) geeft hij onder meer metafysische en patristische exegese van het boek Exodus: Expositio libri Exodi. Daarin is een groot deel van het commentaar gewijd aan Ex 3,14: ‘ego sum qui sum’, de Vulgaatvertaling van de NAAM. Het ‘ego’ is de positie van het subject dat bij zichzelf blijft; ‘sum’, de identificatie van het subject met het ontologisch bewustzijn, dat het niets ontkent; ‘qui sum’ betekent de reflexiviteit van het zijn naar het subject op zichzelf (Pierre Gire, 1999). In het commentaar lopen filosofische theologie en negatieve theologie in elkaar over. ‘Niets is zo gelijk als God en schepsel’ (nr.115); ‘niets is zo ongelijk als de schepper en ieder schepsel (nr.112)’: het is de dragende paradox van de mystieke weg. Eckhart geeft geen aandacht aan het verhaal van de Uittocht, maar neemt de draad op bij Ex 15,1: Mozes zong een lied. Het is een metafysische lezing van de teksten op zoek naar goddelijke eigenschappen. 

A.Ontmoeting met De NAAM (God) in de duisternis

Het vers ‘Mozes trad de duisternis in, waarin God was’ (Ex 20,21; Oussoren vertaalt: ‘Mozes is getreden tot de mistdonkerte waarin God is’) is van belang in de doorwerking in negatief-theologische mystiek. Eckhart heeft hier Mozes Maimonides en Dionysius de Areopagiet met elkaar verweven (nr.235-238), maar ook psalmcitaten en Bernardus van Clairvaux. Bij God is er geen duisternis, maar slechts Licht. Voor ons intellect is God ontoegankelijk licht. Met een citaat van Maimonides: ‘Het intellect, dat God nadert, stoot tegen een muur’. God woont in het ontoegankelijk licht (1 Tim 6,16). (Vgl. Kurt Flasch. Meister Eckhart. Philosoph des Christentums, München 2010, p.182-183).

Welke doorwerking is er nu van Eckhart als Lesemeister in zijn werk als Lebe-meister, met name in zijn preken? Onder de titel ‘“Die Meister sagen”- die “Leute” fragen’ heeft Dietmar Mieth nagedacht over de retorische bruggen-bouw van Meister Eckhart tussen het Meister-discours, de persoonlijke ‘zekerheid’ (‘Zertum’) en zijn mystagogie (Meister Eckhart Jahrbuch 6 (2012), S.325-346). In dit verband gaat het om een drievoudige verhouding: die tussen het Exodus-Ego (‘Ego sum qui sum’), het ‘ik’ van Meister Eckhart en het ‘ik’ van de toehoorders ofwel ‘die Leute’. Het Exodus-Ich is volgens Mieth bijna een Godsbewijs, want omgekeerd kan gesteld worden: wanneer er iets is, dat in volheid zonder gebrek ‘IK’ kan zeggen, dan kan daar bovenuit niet groters gedacht worden (vgl.Anselmus). Het ‘empirische Ich’ van Eckhart klinkt meestal stellenderwijs en zeker van zijn zaak door in zijn preken, meestal in het kiezen van een retorische positie tegenover andere leermeesters.  Er is echter tenminste één passage waarin iets doorklinkt van de ‘mystieke’ Eckhart. Twee citaten uit de preek over Lukas 1,28 over de groet van de engel aan de moeder Gods onder de titel: ‘Ave gratia plena, dominus tecum’ (nr.3 in vertaling van de germanist en dichter C.O.(Cor)Jellema; in de vertaling van Quint nr.23): 

“Gisteren werd op de hogeschool onder belangrijke geestelijken een vraag behandeld. ‘Mij verwondert het, zei ik, dat de Schrift zo vol van betekenis is, dat niemand in staat is ook maar het kleinste woord te doorgronden. En als jullie me nu vragen, daar ik een enig zoon ben die de hemelse Vader eeuwig heeft gebaard, of ik dan in alle eeuwigheid zoon geweest ben in God, dan zeg ik: ja en nee; ja, een zoon voor zover de Vader mij eeuwig heeft gebaard, geen zoon overeenkomstig de ongeborenheid.” (blz.25).

De eigen ‘ervaring’ van Eckhart klinkt door in deze passage: “Onderweg, toen ik hiernaartoe moest gaan, bedacht ik dat ik eigenlijk niet wilde gaan, omdat ik uit liefde vast in tranen zou uitbreken. Wanneer jullie uit liefde in tranen zijn geraakt, is dat niet erg. Lief en leed komt voort uit liefde. De mens moet God niet vrezen, want wie Hem vreest ontvlucht Hem. Een schadelijke vrees is dat. Maar wie vreest dat hij God verliest, bezit de juiste vrees. De mens moet Hem niet vrezen, hij moet Hem liefhebben want God heeft de mens lief met Zijn gehele hoogste volkomenheid.” (blz.26-27).

‘Die Leute’, de toehoorders, worden meestal pastoraal-belerend aangesproken, vermanend wanneer van God handelswaar wordt gemaakt, niet ‘afgescheiden’ of onthecht, maar ook met grote zorg voor de eigen autonomie van de hoorder als zelfstandig schepsel. Twee citaten waarin enerzijds de absoluutheid door-klinkt van de (mystieke) zoektocht naar God en anderzijds de eigen autonomie. 

De eerste tekst is genomen uit een preek over Jacobus 1,17: ‘De allerbeste gave en de volmaaktheid komen van boven neer van de Vader der lichten.’ (Jellema nr.15, blz.114; Q4).

“Je moet weten dat als je iets voor jezelf zoekt, je God nooit zult vinden, omdat je niet zuiver en alleen God zoekt. Je zoekt dan iets met God en doet alsof je van God een kaars hebt gemaakt om daarmee iets te zoeken; als men in zo’n geval het gezochte ding heeft gevonden, gooit men de kaars weg. Zo doe jij ook: wat je met God zoekt dat is niets, wat het ook zijn moge, hetzij voordeel of beloning of iets innerlijks of wat ook; je zoekt een niets, daarom vind je ook niets. De reden dat je niets vindt is dat je een niets zoekt. Alle schepselen zijn een louter niets. Ik zeg niet dat ze onaanzienlijk zijn of slechts een iets zijn: ze zijn een louter niets. Wat niet aan het zijn deelheeft, dat is niet. Schepselen hebben geen zijn, want hun zijn hangt aan de tegenwoordigheid van God.”

Deze zijnsmystiek zou tot de onjuiste conclusie kunnen leiden dat het schepsel in verhouding tot de Schepper ‘niets’ is. Maar ieder schepsel heeft een eigen unieke (verborgen) zelfstandigheid, die doorklinkt in de volgende passage uit de preek over 1 Joh 4,9 (Jellema nr.26,blz.171;Q6/5b):

“Vaak zeggen mensen (“Die Leute”) tegen me: ‘Bid voor mij’. Dan denk ik: waarom zoeken jullie het buiten je? Waarom blijf je niet in jezelf en grijp je niet aan wat goed is in jezelf? Jullie dragen immers de hele waarheid wezenlijk in je. Dat wij zo waarlijk in onszelf mogen blijven, dat wij alle waarheid zonder tussenkomst en zonder onderscheid in echte zaligheid mogen bezitten, daartoe helpe ons God. Amen.” 

Eckhart tracht hier de oorsprongsnabije autoriteit van de innerlijkheid in iedere mens te benadrukken, een ‘zekerheid’ die geen institutionele autoriteit nodig heeft (Mieth, S.336). Zijn preken willen de hoorders ‘bevrijden’ tot de ervaring van een innerlijke autonomie in relatie tot het Exodus-Ego, een autonomie die als geschenk, als ‘genade’ van de Schepper wordt geduid. De verhouding tot de toehoorders is hier ‘symmetrisch’ in tegenstelling tot de ‘asymmetrie’ in de (hoge)schoolse en pastoraal-spirituele passages (Mieth, S.340). Dat is de ‘waarheid’ die de toehoorders in zichzelf dienen te ontdekken, maar ze zullen dat alleen begrijpen als ze ‘afgescheiden’ ofwel ‘onthecht’ leven. In zijn preek  ‘Praedica verbum’ (2 Tim 4,2) zijn het zowel ‘viele gelehrte Leute’ als ‘viele Leute’ die het niet begrijpen (Q43; Mieth, S.430), terwijl het volgens Eckhart niet moeilijk of zwaar is (vgl.Deut 30,11).

Waarom voor de homiletische retorica van  Eckhart hier aandacht gevraagd? In Rome heeft de zgn. ‘misbruiktop’ plaatsgehad met de bedoeling tot meer inzicht te komen in de structuren die leiden tot sexueel misbruik door clerici en tot clericaal machtsmisbruik. Het behoeft weinig betoog, dat het ‘taalgebruik’ (de ‘macht’ in het ‘discours’ zoals onderzocht door bijv. Michel Foucault) er daar minstens één van is. In hoeverre hebben de inhoud en de stijl van preken mede bijgedragen tot knechting van de hoorders, tot -nu met andere betekenis dan gewoonlijk- een ‘Seinsvergessenheit’? Hebben predikanten in de RKK wel willen bijdragen aan mondigheid en autonomie, aan de ontwikkeling van ‘zelfbewustzijn in gelovig perspectief’, aan een zelfstandig leren ‘ik’-zeggen? Uiteraard is dat een gewetensvraag. Een persoonlijk ‘ja’ zou wel eens meer ingekapseld kunnen zijn door de structuur van pastoraal en liturgie dan zelf gewild. De institutionele ballast, en in theologische termen: de ‘schuld’ van onze voorgangers, is niet zomaar weg te nemen. Zichzelf tot de spreekbuis willen maken van de ‘arme misbruikten’, zoals de Amerikaanse kardinaal Cupich deed, stuitte op verzet van slachtoffers: zij zijn autonoom en mondig genoeg om voor zichzelf op te komen en hun eigen stem te laten horen (citaat: “This is about making sure that their voice is heard”:persconf 18.2.2019 Rome). Wat betekent in dit verband de term ‘gelatenheid’ (‘Gelassenheit’) als één van de centrale termen in het spiritueel-theologische discours van Meister Eckhart?

B.GELATENHEID

In zijn studie ‘Gelatenheid. Gemoed en hart bij Meister Eckhart’ (2008) komt Gerard Visser tot deze omschrijving: “Gelatenheid, met haar drie structuur-momenten van loslaten, zich verlaten op en zijn laten, beschrijft heel de beweging van de Godsgeboorte in de ziel.” In een compact geformuleerde alinea komt de dynamiek in de ‘mystiek’ van Eckhart aan de oppervlakte:

“Gelatenheid ziet van alle werkzaamheid af, opdat liefde echte liefde, deemoed echte deemoed is. Wanneer is er sprake van echte liefde? Als liefde werkt zonder waarom. Echte liefde is geen eigenwillige liefde, maar onthechte of gelaten liefde. Een door gelatenheid geïnspireerde liefde is een liefde waarin de gehechtheid aan het eigene is losgelaten en de ziel zich verlaat op een leegte die Gods liefde doorlaat. Laat de gelatene zich de maat voorschrijven door de leegte? Als het gemoed de eigenliefde loslaat en de leegte toelaat, is het dan de leegte die het gemoed laat volstromen met de zelfmededeling Gods? Voor Eckhart is gelatenheid feitelijk de meest oorspronkelijke modus, niet zozeer van de deugd, als wel van het toebehoren aan de bron die de deugd pas tot deugd maakt.” (A.w.,blz.210).

Prior Eckhart, de dominicaan, formuleert in Erfurt de volgende levensles voor zijn medebroeders over het krachtigste gebed: “Het krachtigste, het zowat machtigste gebed waarmee je alles kunt verkrijgen en het bovenal waardevol-ste handelen komen voort uit een ledig gemoed. Hoe lediger dat is, des te krachtiger, waardevoller, nuttiger en prijzenswaardiger en volmaakter het gebed en het handelen zijn. Het ledige gemoed kan alles.” (Jellema, 244-245).

 

3.WAT IS DE ‘ZIEL’ VAN DE OECUMENE?

In een essay van Rik Torfs in Letter&Geest (Trouw) van 10 november 2018 analyseert hij de situatie van de RKK onder de pakkende titel: “Alleen een reformatie kan de rk kerk nog redden. Niet alleen misbruikschandalen ondermijnen de geloofwaardigheid van de katholieke kerk. Hervormt ze niet grondig, dan gaat ze ten onder.” Een van zijn ‘conclusies’: “Wat ik ondertussen minder dan ooit wil aannemen, is dat een kerkcrisis volkomen los kan staan van een wankelend geloof. Nochtans meenden vele experts, theologen en kerk-juristen, tot rond de eeuwwisseling dat zulks wel het geval was. De kerk ging door zwaar weer, dachten ze. Maar de boodschap van Christus blijft overeind. Ze vergisten zich.”(blz.19). Hij besluit zijn essay met een passage uit het boek ‘Een mens is maar een wandelaar’ (Gaston Durnez). Samen met een dichter belandt de auteur tijdens een wandeling bij een zeer oude kapel. “Naast de kapel staat een kluizenaarswoning. Ze zijn allebei voor altijd dicht. Terwijl de twee wandelaars hun stokbrood breken en een glas wijn drinken, zegt de dichter Van Herreweghen: “Als dit westerse christelijk geloof voorbij zal zijn, wat zullen wij prediken? Het Evangelie.”

Dat laatste lijkt me het enig juiste antwoord te kunnen zijn op de vraag wat ‘de ziel van de oecumene’ kan zijn, uiteraard Evangelie in het spoor van de Tenach. De vele inspanningen die geleverd werden en nog geleverd worden in de vele gremia die zich bezighouden met de oecumene dwingen in de huidige kerkcrisis van de RKK terug te keren naar de beginvraag: welk geloof delen wij als christe-lijke kerken en hoe geloofwaardig kunnen wij samen zijn voor de tijdgenoten? Die fundamentele vraag maakt alle andere ecclesiologische vragen tot bijzaak. Niet dat ze niet belangrijk zouden zijn, de vragen naar de gemeenschappelijke tafel en het ambt, de doop als oersacrament, het Petrinisch gezag enzovoort, maar de eerste vraag is die naar: wat geloven wij? Of liever: Wie geloven wij? En vervolgens: hoe geloofwaardig valt ons geloof in onze tijd te prediken?

Dat zou in het spoor van de mysticus Eckhart kunnen zijn. Op paradoxale wijze predikt Eckhart in zijn beroemde preek over de armen van geest (Jellema 1): “Waar de mens nog iets van plaats bewaart, daar behoudt hij onderscheid. Daarom bid ik God dat Hij me leeg maakt van God, want mijn wezenlijke zijn is boven God, voor zover wij God begrijpen als het begin van de schepselen.”

 

4.GETILD IN DE TAAL: POEZIE ALS VORM VAN GELOOFSEXPRESSIE

Een van de vele benaderingen van ‘geloof’ en ‘geloven’ is deze wijze van zich verhouden tot het Geheim van leven dat wij God noemen te beschouwen als een vorm van poëzie. Een dergelijke benadering wil niets afdoen aan geloven als een zaak van leven en dood, want alles staat of valt met ‘vertrouwen’. Het vertrouwen dat er een dragende Grond in het leven is met een bestemming die Licht in de afgrond van het donker (de dood) verhoopt, is het spoor dat door de bijbelverhalen oneindige diepte krijgt. Nu is Jellema als germanist en vertaler van Meister Eckhart ook dichter geweest van een bescheiden oeuvre. Louisa van der Pol onderzocht in haar proefschrift ‘Getild in de taal’ de vernieuwing van C.O.Jellema’s poëtica door zijn vertaling van Meister Eckhart (2016). Er is hier geen gelegenheid diep in te gaan op deze studie. Wel kan een postuum gedicht van Jellema zicht geven op zijn visie op de ‘mystieke boodschap’ van Eckhart en misschien ook op zijn geloof. Ooit is hij begonnen met een studie theologie.

DE TOMBE VAN MEISTER ECKHART

‘dâ die obersten engel und diu vliege und diu sêle glich sint’

Ik liep te denken hoe ik zou gaan preken,                                                                        toen onderweg hierheen me zo’n rotmug stak. Ik mepte. Mis. M’n wang. Ik dacht vlug:                                                                 niets dan lot voor het beestje om te steken, want daarmee toont de schepping haar gebreken door God bedoeld, opdat wij haar de rug                                                                        toekeren. Vond zo het geloof terug in oorzaak en gevolg. Dit snappen leken. Maar kan men wat ik nu zeg nog behappen?       Oorsprong in eenheid is blijvend geboren en ongeboren blijvend zijn in God. Wist ook die mug daarvan, hij zou afstappen             van aardse zucht, opzoemen tot de koren waar mug, mens, engel delen één genot.

 

Er zit in die drie werkwoorden ‘snappen, behappen?, afstappen’ misschien wel een parcours van groeien in de wijze van geloven. VanderPol schrijft: “Snappen is intellectueel weten, behappen is iets in zich opnemen en erdoor gevoed worden. De wezenlijke, mystieke boodschap die verkondigd wordt, is de eenbarigheid, de eenheid van het baren en geboren worden.”(blz.350) Dat is een mogelijke interpretatie van de Godsgeboorte. Zij gaat niet dieper in op het ‘afstappen’ van aardse zucht. Daarin resoneert het begrip ‘afgescheidenheid’: het loslaten van iedere activiteit van het intellect zodat de ruimte vrij komt om puur te zijn. Of met een omschrijving die VanderPol geeft:

“Bij afgescheidenheid gaat het om een totale gerichtheid op God; om complete overgave en het leggen van eigen wil in de hand van God. Afgescheidenheid is niet je van het creatuurlijke terugtrekken en alleen maar aan God denken. Integendeel, schepselen zijn tekens die verwijzen naar God. Je moet ze nauw-keurig waarnemen, hun oorsprong kennen en zo in het geschapene vol liefde God zoeken. Afgescheidenheid is evenmin zoiets als goede werken doen, maar het is je afkomst kennen en er bewust van zijn dat Christus in je leeft en dat je naar Hem verlangt.” (351).

Messiaans verlangen, zo wil ik dat laatste verlangen benoemen, gedurende een levenslange zoektocht naar wat de dragende Grond van onze werkelijkheid is. De houding die daaraan ten grondslag ligt is die van ‘Gelassenheit’, zoals de denker Heidegger die omschreef als: “die Offenheit für das Geheimnis.” (blz.24 in ‘Gelassenheit’). Overigens meende Heidegger dat het begrip van gelatenheid bij Meister Eckhart naar zijn mening tekortschiet. Eckhart zou bevangen zijn gebleven in het domein van de wil. (Visser, blz.211). Niet-weten, loslaten, het door het leven zelf gedwongen worden los te laten: dat zijn de fundamentele ervaringen die in de christelijke tradities van geloven doordacht én vooral ook gevierd worden. De noodzaak van een nieuwe reformatie om de RKK te redden zoals door Rik Torfs bepleit, impliceert misschien ook een reformatie van wat als gevestigde liturgie wordt gezien, wil deze als ‘ritueel rond leven en dood’ geen ongeloofwaardig theater inclusief concert (met of zonder orkest) worden.

 

5.KERK(EN) IN DE DONKERE NACHT: DE BEELDTAAL VAN JUAN DE LA CRUZ 

In dit korte bestek is het uiteraard onmogelijk recht te doen aan de mystiek van Juan de la Cruz (1542-1591). De verbinding die hier gelegd kan worden met Meister Eckhart is diens commentaar bij het treden van Mozes in de mistdonkerte waarin God is (Ex 20,21). Het halfvers dat daaraan voorafgaat becommentarieert Eckhart niet: “De gemeente blijft van verre staan;”. Die afstand tussen de gemeente en Mozes en de donkerte waarin God is, is een uitnodiging tot een korte slotreflectie. 

De zoektocht van de mysticus/a naar eenheid en vervulling in God is een eenzame weg. Institutionele gemeenschappen van gelovigen hebben de neiging ieder die ‘anders’ denkt en doet uit te sluiten, hetzij bij leven, zoals Juan de la Cruz overkwam van de zijde van zijn medebroeders, hetzij na de dood, zoals Eckhart is overkomen door de veroordeling van een aantal stellingen. Juan de la Cruz beschrijft die eenzame tocht met het symbool van de Nacht in een commentaar bij een van zijn gedichten ‘Noche oscura’. Zijn commentaar heeft de individuele persoon voor ogen die in de zoektocht losraakt van het vroegere weten en geen horizon ziet, maar overgeleverd is aan de duisternis. Met misschien enig optimisme presenteert hij de metafoor van de reiziger, die om naar nieuwe, onbekende streken te gaan, langs nieuwe wegen gaat die hij niet kent en niet beproefd heeft. “Hij wordt niet geleid bij zijn tocht door hetgeen hij vroeger wist. Maar in onzekerheid en aan de hand van wat anderen zeggen gaat hij voort. Het is duidelijk dat zo iemand geen nieuw land kan ontdekken en ook niet meer kan achterhalen dan hij vroeger wist, als hij niet langs nieuwe, onbekende wegen gaat en als hij niet achterlaat wat hij wist.” (Donkere Nacht II,16,8). Juan de la Cruz noemt God hier de leermeester en de gids van de ziel, die is als een blinde.

De metafoor kan misschien ook van toepassing zijn op onze kerkgemeenschap-pen. In ieder geval de RKK maakt een donkere nacht door van de zinnen en van de geest. Deskundigen voorspellen nog een lawine aan verdere schandalen. De vraag is of er in de toekomst uit dit proces een gezuiverde vorm van geloven kan worden geboren. Is dit een transformatieproces zoals de mystica Teresa van Avila dat beschreef met de metafoor van de rups die vlinder zal worden? Meister Eckhart was een katholieke reformator avant la lettre. De mystiek in de 16e eeuw in Spanje is die van de zogenaamde contra-reformatie. Zijn er in de geschriften van Juan de la Cruz bruggen naar de hedendaagse oecumene? In zijn gevangenisperiode van negen maanden (1577-1578) werd hij vanuit zijn isolement de dichter van het zgn. Geestelijk Hooglied (Cántico Espiritual), een eigen originele verdichting van motieven uit het Bijbels Hooglied. Daarmee krijgt dan de ‘liefde’ hier het laatste woord. 

Eerder kwam de vraag aan de orde op welke wijze de predikant(e) het gehoor mondig en zelfstandig zou kunnen maken. Twee elementen lijken daarbij van belang te kunnen zijn. Het eerste element, als een (homiletische) exegese van Exodus 20,21: “De gemeente blijft van verre staan; Mozes is de mistdonkerte in getreden waarin God is.” De predikant heeft de opdracht de weg vrij te maken in zijn uitleg voor de opbouw van de gemeente, maar ook voor de bevrijding van de enkeling, en die bevrijding zou wel eens paradoxalerwijs de weg van de afstand tot de eigen gemeente kunnen zijn. Iedere gemeente/parochie wil van oudsher graag de eigen schapen in de eigen stal houden, maar loopt daardoor ook het risico te verstikken in het eigen gelijk. Wat betekent in onze tijd groei? Het spirituele (mystieke) transformatieproces wil ruimte maken voor de moed om op eigen wijze het donker van de wolk van niet-weten binnen te gaan. In dat proces lijkt de gemeente op afstand te staan, maar uiteindelijk bouwt zich een nieuwe gemeente op die gedragen wordt door deze ontdekkingsreizigers. Misschien zijn de basisgemeenten daar een voorbeeld van.

Het 2e belangrijkste element is uiteindelijk de liefde (vgl.1 Kor 13). Gemeenten en spirituele zoekers naar geloof zijn geworteld in het verlangen naar een vorm van verbinding, naar eenheid, met respect voor de verschillen. Liefde is voor Eckhart ‘leven zonder waarom’. In zijn preek over 1 Joh 4,9 (Jellema 26) klinkt: 

“Wie duizend jaar lang aan het leven zou vragen: waarom leef je? die zou, als het kon antwoorden, niets anders te horen krijgen dan: ik leef omdat ik leef. Dat komt omdat het leven vanuit zijn eigen bestaansgrond leeft en opwelt uit zichzelf; daarom leeft het zonder waarom in het zichzelf levende leven.” En: “Wanneer een oprecht mens, die handelt vanuit zijn eigen bestaansgrond, de vraag kreeg: waarom doe je de dingen die je doet? zou hij, als hij het juiste antwoord gaf, enkel zeggen: ik doe die dingen om ze te doen.”

Wanneer het instituut Kerk en wanneer predikanten met respect voor ieders eigenheid tijdgenoten zouden kunnen verlokken tot het delen van hun eigen ervaringen met het ‘leven zonder waarom’, en wanneer dat het uitgangspunt zou zijn voor een gezamenlijke zoektocht naar een dragende Grond in leven en in dood, dán kan er zo nu en dan iets ervaarbaar worden van wat Eenheid is.

Amsterdam, 25 februari 2019                                       Dr Frans Vervooren OCD