dr. Willem van der Meiden,  Bezette taal, bevrijdende taal, alternatieve feiten

 

Afgelopen vrijdag kreeg ik de volgende tekst via de mail toegestuurd:

Nederlandse schoolboeken wemelen van politiek-correcte propaganda: Klimaathysterie / Multiculturalisme is mooi / Vliegende islamisering / Valse schaamte voor Nederland en Nederlandse cultuur / Vergoelijking van euthanasie en abortus / De euro is een sterke valuta die vrede brengt / Er zijn meer dan twee geslachten.

Kijkt u eens in de leerboeken van scholieren en gaat u met hen in gesprek. Maatschappijleer, geschiedenis en aardrijkskunde zijn berucht. Maar ook bij andere vakken is sluikreclame voor islamisering, klimaatfetisjisme en genderwaanzin niet ongewoon meer.

Te veel docenten lijken dat geen probleem te vinden; volgens onderzoek is 77% van hen politiek links georiënteerd. Zij beseffen niet meer dat familie, traditie en privé-eigendom kernwaarden van de westerse beschaving zijn die bescherming verdienen. De verhoudingen zijn volkomen scheef komen te liggen.

Schoolboeken verzwijgen

·  dat lucht- en waterkwaliteit de laatste jaren zijn verbeterd dankzij nieuwe technologie;

·  dat Mohammeds ‘lievelingsvrouw’ Aisha op haar zevende jaar werd uitgehuwelijkt en op haar negende ontmaagd;

·  dat gezonde waardering voor de vaderlandse cultuur en tradities iets heel normaals is;

·  dat CO2 onmisbaar is voor leven en plantengroei;

·  dat de euro de kloof tussen de natiestaten heeft verdiept;

·  dat wereldwijd per jaar 55 miljoen foetussen tussen 0 en 9 maanden worden geaborteerd.

Het is structureel raak. Wij gaan dat veranderen. En dat gaat ons lukken met uw hulp.” Einde citaat.

De afzender is een organisatie die ‘Klap uit de school’ heet en verbonden is met de campagne ‘Cultuur onder Vuur’.

Mocht u van mening zijn dat de discussies over framing een modeverschijnsel zijn, dan hoop ik dat de taal van dit pamflet u aan het denken zet over waarheid en leugen, over alternatieve feiten en over de inkapseling van woorden in een giftig frame. Daarover is onder andere geschreven door George Steiner, Victor Klemperer en Heiko Miskotte, over wie ik het vandaag met u wil hebben.

George Steiner, geboren in 1929, is een Frans-Amerikaanse literatuurwetenschapper en filosoof. Zijn ouders waren Oostenrijkse joden, naar de Verenigde Staten gevlucht voor de nazi’s. In 1959 publiceert Steiner een geruchtmakend essay over de schade die het Duizendjarig Rijk in 12 jaar tijd aan de Duitse taal heeft aangericht. Het essay heet ‘Het wonder zonder inhoud’, waarbij het woord ‘wonder’ verwijst naar het West-Duitse Wirtschaftswunder in de jaren ’50.i De oorspronkelijke titel is The Hollow Miracle. Het Duits ziet geen kans zich te herstellen van de bezetting van de taal door het naziregime, aldus Steiner. Het Duits is “niet meer de taal van Goethe, Heine en Nietzsche. Zelfs niet meer die van Thomas Mann. Er heeft een ontzettende destructie in plaatsgehad. Dit Duits is lawaaiig. Het geeft nog gemene zin, maar schept geen gemeenschapsgevoel.” (52) De niet al te fraaie Nederlandse vertaling is van 1968. De genoemde schrijvers onttrekken zich aan dit oordeel volgens Steiner omdat Heine en Nietzsche buiten Duitsland schreven, Goethe een Europese geest had en Thomas Mann uit zijn land verdreven was. Maar voor de rest is het “de taal die in Duitsland is gestorven.” (ibidem)

Ik geef u twee citaten van Steiner.
“Toen de soldaten zich opmaakten voor de oorlog van 1914, vertrokken ook de woorden. De overlevende soldaten kwamen terug, vier jaar later, gekweld en verslagen. In eigenlijke zin kwamen de woorden niet terug. Zij bleven aan het front en trokken tussen de Germaanse geest en de feiten een muur van mythen op. Zij zonden de eerste van die grove leugens de wereld in, waarmee zoveel in het moderne Duitsland is grootgebracht: de ‘dolkstootlegende’. De heldhaftige Duitse legers waren niet verslagen, ze waren in de rug gestoken door ‘verraders, zwakkelingen en bolsjewisten’. Het Vredesverdrag van Versailles was geen onhandige poging van een geteisterd Europa om enige orde op zaken te stellen, maar een wreed en wraakzuchtig plan, dat Duitsland werd opgedrongen door de hebzuchtige vijanden.” (53v)

Een tweede citaat:
“De Duitse taal was niet onschuldig aan de verschrikkingen van het Nazisme. Het is niet zo dat een Hitler, een Goebbels en een Himmler toevallig Duits spraken. Het nazisme vond in de taal precies wat het nodig had om uitdrukking te geven aan zijn barbaarsheid. Hitler hoorde in zijn moedertaal de latente hysterie, de verwarring, de hoedanigheid van de hypnotische trance. Hij dook feilloos in het kreupelhout van de taal, in de regionen van duisternis en misbaar, die in hun embryonale staat aan de gearticuleerde rede voorafgaan, voordat deze gerijpt is door de aanraking met het verstand.” (55)


Ik had u al gewaarschuwd voor de kwaliteit van de vertaling. Wat moeten we hiervan vinden, want alleen de schrijver gelijk geven lijkt me te gemakkelijk. In mijn lezing zal het woord
framing enige malen vallen – en bij voorbaat al mijn verontschuldiging voor het gebruik van dit leenwoord – en ik kan me ook niet aan de indruk onttrekken dat deze zinnen uit 1959 niet vrij van framing zijn. Voor zover Steiner geen toekomst meer zag voor het Duits, heeft hij wat mij betreft niet gelijk gekregen. In 1959 was Heinrich Böll al aan het publiceren en in hetzelfde jaar verscheen Die Blechtrommel van Günter Grass. Enkele jaren later begon Christa Wolf in de DDR aan haar schrijversloopbaan. Met zijn sombere terugblik had Steiner zeker een punt, maar als profetie overtuigt zijn essay minder.

In een voetnoot bij de heruitgave van het essay in 1968 verontschuldigt Steiner zich dat hij in 1959 het werk van Victor Klemperer nog niet kende. Niet dat hem dat op andere gedachten zou hebben gebracht, maar Klemperer bood in zijn werk als ervaren taalkundige tal van details die Steiner nog niet ter beschikking stonden.

Victor Klemperer is vooral bekend geworden door zijn dagboeken. Hij was een Duits-joodse linguïst, telg van de beroemde Klemperer-familie die ook de befaamde dirigent Otto Klemperer voortbracht, en maakte faam als romanist en kenner van de Franse literatuur. Hij leefde van 1881 tot 1960. Zijn dagboek uit de jaren 1933-1945, Tot het bittere einde, verscheen pas in 1995, 35 jaar na zijn dood, en veroorzaakte een literaire sensatie.ii Met akelige precisie en een scherp observatievermogen beschrijft Klemperer hoe de nazi’s hun druk op het dagelijks leven van joodse Duitsers dag na dag versterken tot een wurggreep waaruit geen ontsnappen meer mogelijk is. Triest hoogtepunt is het ooggetuigenverslag van het beruchte bombardement op Dresden, 13 februari 1945, dat Klemperer en zijn vrouw ternauwernood overleven. Klemperer wordt als een van de weinige Duitse joden gespaard voor deportatie en overleeft de oorlog alleen dankzij het feit dat zijn vrouw Eva niet-joods is. Zij is het ook die ervoor zorgt dat zijn dagboekaantekeningen niet in handen komen van de nazi’s. Behalve zijn dagboekaantekeningen is Klemperer in deze jaren bezig met een boek dat na de oorlog moet verschijnen. In dat boek analyseert hij de taal van het nationaalsocialisme. Met tal van voorbeelden laat hij zien hoe de nazi’s de taal vervormen, modelleren, doorspekken met neologismen, zodat een taal ontstaat die verraadt van welke ideologie zij het voertuig is geworden. Ik geef u zo enkele voorbeelden. Klemperer krabbelde zijn aantekeningen op stukjes papier, stopte ze in enveloppen, schreef daarop de drie letters L, T en I en zijn vrouw Eva smokkelde ze het huis uit en verborg de enveloppen bij kennissen waar niet zo gauw een huiszoeking te vrezen was. Waren ze gevonden en was de auteur bekend geworden, dan zou Klemperer dat niet overleefd hebben.

LTI stond voor Lingua Tertii Imperii, Latijn voor ‘de taal van het derde rijk’. Klemperer gokte erop dat eventuele huiszoekers geen Latijn kenden, laat staan de afkorting thuis zouden kunnen brengen. Als boek verschenen deze aantekeningen voor het eerst in de door de Sovjet-Unie bezette Oostzone van Duitsland in 1947.iii Daar baarde het geen opzien. Pas veel later, bij de toenemende belangstelling voor het nationaalsocialisme in de jaren ’70, ver na Klemperers dood, kreeg het boek de erkenning die het verdient. Pas in 2000 verscheen een Nederlandse vertaling.iv

Voor ik iets van LTI laat horen neem ik u even mee op een korte omweg. De Nijmeegse Neerlandicus en essayist Michel van Nieuwstadt publiceerde in 1971 een inmiddels vergeten boek, dat wilde bijdragen aan een materiaalverzameling voor een taal- en ideologiekritiek van het fascisme.v Van Nieuwstadt kende LTI en zocht met medestudenten naar een Nederlandse pendant. De titel Van ‘aardgetrouw’ tot ‘aziatisch’ laat zien dat het boek onderdeel was van een groter project, een Nederlands woordenboek van fascistische taal. Het is bij de letter A gebleven. Het boek werd bijna totaal genegeerd en als het al besproken werd, oogstte het hoongelach – en niet helemaal ten onrechte. Het boek hinkte namelijk op twee onverenigbare gedachten. In Hollands Maandblad (1971, 278-289) schrijft recensent Paul van ’t Veer: “De voornaamste inhoudelijke oorzaak daarvan – namelijk van het mislukken van dit project – zal wel zijn geweest dat Van Nieuwstadt en zijn makkers van een totaal verkeerd uitgangspunt uitgingen, namelijk dat de essentie van de fascistische ideologie in zijn woordgebruik zou liggen. Na enige tijd ontdekten ze dat ze op het verkeerde spoor zaten, maar toen hadden ze blijkbaar al zoveel materiaal verzameld (alle jaargangen van Volk en Vaderland doorgevlooid op zoek naar ‘typerende’ woorden!) dat ze het zonde vonden er niets mee te doen. De groep, althans Van Nieuwstadt zelf, is toen gaan proberen precies het tegenovergestelde te bewijzen van wat men eerst van plan was, nu dus: dat het taalgebruik van de Nederlandse fascisten in vergaande mate overeenkwam met het normale taalgebruik van de jaren ’30. Deze onderneming lukte natuurlijk óók niet, want voor zo’n studie hadden ze nu eenmaal niet het juiste materiaal verzameld.” Wetenschappelijke doodzonden en verkeerde framing dus, waarmee de onderneming was afgeserveerd.

Terug naar de LTI. Van inkapseling van taalobservaties in een voorgegeven denkraster – framing dus – is bij Klemperer geen sprake. Hij schrijft heet van de naald, de taal die hij beschrijft ontstaat en verandert onder zijn ogen. En de taal, zijn taal, wordt onder zijn ogen vervuild, besmet, vervormd en dienstbaar gemaakt aan een gewelddadige ideologie. Wie de observaties van Klemperer bestudeert kan niet anders dan tot de conclusie komen dat Steiner ongelijk heeft, dat de taal zelf, het Duits an sich, er weinig aan kan doen dat zij besmet raakt. Wat Klemperer wel met zoveel woorden aantoont is dat deze taal langzaam maar zeker ‘bezet’ wordt door de nazi’s, letterlijk in bezit genomen, toegeëigend. Die bezetting heeft tot gevolg dat woorden van betekenis veranderen, dat ongewenste woorden verdwijnen, dat nieuwe woorden worden gemaakt en dat er een hiërarchie van woorden en begrippen wordt aangebracht. Een paar voorbeelden.

Dat boeren hun gewassen oogsten is van alle eeuwen. Het Duitse woord voor oogst, Getreide, is een alledaags woord. Maar de nazi’s willen van de boerenstand een pijler van het nationaalsocialisme maken, ze willen het dagelijkse werk van boeren omduiden naar een ideologische strijd voor het welzijn van het Duitse volk. Zo wordt Getreide Getreideschlacht, zo wordt oogst een veldslag, die met een overwinningsfeest wordt gevierd.

Klemperer signaleert de nazivoorkeur van archaïsch taalgebruik, voor woorden als Gau en Sippe (112). De Nederlandse equivalenten gouw en sibbe waren onder NSB’ers evenzeer populair. Ik weet niet of Max Schuchart, de vertaler van Tolkiens In de ban van de ring, verschenen in 1954, maar grotendeels in de oorlogsjaren geschreven, deze connotatie kende toen hij de shire, de woonplaats van de hobbits, met ‘gouw’ vertaalde… De regio Neurenberg heette in de LTI Traditionsgau, oftewel de streek waar de middeleeuwse tradities waar nazi-ideologen als Alfred Rosenberg zo dol op waren levend werden gehouden.

Een van de eerste woorden die door Klemperer beschreven wordt, is fanatisch (81-87). Hij kent dat woord uit het Frans als een negatieve aanduiding, een scheldwoord. Al in 1933 noteert hij dat het woord kennelijk in het Duits een wending heeft gemaakt: fanatisch zijn de SA’ers, de bruinhemden die ’s nachts in Berlijn jacht maken op communisten. Hun optreden wordt in de nazi-pers als heldhaftig bestempeld. Dit ‘gepositiveerde’ woord inspireerde Joseph Goebbels, die in november 1944 in de krant Das Reich schrijft dat het land alleen nog door wilder Fanatismus te redden is.

Zomaar drie voorbeelden uit de dictionaire van de LTI. Klemperer biedt reeksen van dergelijke observaties en alleen daarom al is dit boek een boek dat je moeilijk kunt wegleggen. Een van de meest aangrijpende hoofdstukken toont het effect van omkering. Het gaat over het voorvoegsel Jude, joden-. Klemperer beschrijft wat er gebeurt als hij ergens in 1943 op het matje wordt geroepen door de Gestapo. Daarvóór heeft hij geruime tijd met zijn neus tegen de muur staan wachten, terwijl achter hem voorbijgangers zinnen riepen als: “Hang je toch eens op, jodenhond, waar wacht je nog op?” De Gestapoman die hem toespreekt heeft eigenlijk niets om hem te arresteren en stuurt hem uiteindelijk weg: “Ik sta al met de deurklink in mijn hand als hij me terugroept: ‘Jullie bidden thuis nu zeker voor de joodse overwinning, hè? Sta me daar niet zo aan te gapen, je hoeft niet te antwoorden, ik weet zo wel dat je het doet. Het is jullie oorlog… wat, je schudt het hoofd? Met wie voeren we dan eigenlijk oorlog? Trek je bek eens open als je wat gevraagd wordt, je wilt toch zo graag professor zijn…’ ‘Met Engeland, Frankrijk en Rusland, met…’ ‘Ach, hou toch op zeg, dat is allemaal flauwekul. Wij voeren oorlog met de joden, het is de joodse oorlog. En als je nu nog een keer je hoofd schudt, krijg je zo’n opdonder van me dat je meteen naar de tandarts kunt. Het is de joodse oorlog, de Führer heeft het zelf gezegd, en de Führer heeft altijd gelijk… D’ruit!” (224v)

Klemperer kan er niet over uit: over die tandarts waar hij als jood niet eens heen mag, en over die joodse oorlog, vrij naar het boek van Flavius Josephus. En dan volgen enkele pagina’s waarin hij Hitlers antisemitisme in Mein Kampf analyseert en het gebruik van jude in het ‘nieuwe Duits’, een tekst die tot de beste behoort die ik daarover gelezen heb.

Wat gebeurt er met de taal wanneer die door de nazi’s bezet wordt? Victor Klemperer vat samen en verwijst naar de uitdrukking van Friedrich Schiller over het Duits als de ‘beschaafde taal, die voor je dicht en denkt’:

“… taal dicht en denkt niet alleen voor mij, ze stuurt ook mijn gevoel, ze stuurt mijn hele psychische wezen, naarmate ik me vanzelfsprekender en onbewuster aan haar overgeef. En als nu de beschaafde taal uit giftige elementen is gevormd of draagster van gifstoffen is geworden? Woorden kunnen nietige stukjes arsenicum zijn: ze worden ongemerkt ingeslikt en lijken geen uitwerking te hebben, maar na enige tijd is de gifwerking er toch. Als iemand maar lang genoeg ‘fanatiek’ zegt in plaats van ‘heldhaftig’ en ‘deugdzaam’, gelooft hij ten slotte echt dat een fanaticus een deugdzame held is en dat je zonder fanatisme geen held kunt zijn. De woorden ‘fanatiek’ en ‘fanatisme’ zijn niet door het Derde Rijk bedacht, het heeft alleen de gevoelswaarde ervan veranderd en ze op één dag vaker gebruikt dan andere tijden in jaren. Het Derde Rijk heeft maar heel weinig woorden van zijn taal zelf bedacht, misschien, of zelfs waarschijnlijk, niet één. De nazistische taal heeft veel aan het buitenland te danken en neemt de meeste andere woorden over uit het Duits van vóór Hitler. Maar ze verandert de gevoelswaarde en frequentie van woorden, ze maakt algemeen wat vroeger gemeengoed was, en ze doordrenkt woorden en woordgroepen en zinsvormen met haar gif, ze onderwerpt de taal aan haar vreselijke systeem en maakt er haar sterkste, openlijkste en geheimste reclamemiddel van. Het gif van de LTI zichtbaar maken en ervoor waarschuwen: ik geloof dat het meer is dan alleen maar schoolmeestertje spelen. Als bij orthodoxe joden eetgerei cultisch onrein is geworden, reinigen ze het door het in de aarde te begraven. We moeten veel woorden uit het nazistische taalgebruik voor lange tijd in een massagraf leggen, en enkele voor altijd.” (30v)
Ik laat deze griezelige metafoor maar staan. Deze taalkundige heeft recht van spreken.

Ik las ooit voor een artikelvi een flink aantal teksten van christelijke ideologen van de NSB. Mij viel op hoe vaak de woorden ‘volk’ en ‘volks’ daarin in positieve zin voorkwamen. ‘Lang onderdrukte volksbeseffen breken zich onstuimig baan’, roept NSB-dominee Boissevain in 1941 in een redevoering. Ik ben sindsdien argwanend geworden jegens mensen die het woord ‘volk’ vaak gebruiken. Terecht of ten onrechte? Wielerverslaggever en zelf oud-wielrenner Maarten Ducrot gebruikt te pas en te onpas de uitdrukking ‘voor volk en vaderland’. Iemand wees hem er eens op dat Volk en Vaderland de krant van de NSB was. Ducrot had daar nog nooit van gehoord en was zich van geen kwaad bewust. Staatssecretaris Teeven vertrok in 2015 en verklaarde ‘voor volk en vaderland’ gehandeld te hebben in de bonnetjesaffaire. Ook hij was zich van geen kwaad bewust.

De taal als bezet gebied. Op 10 februari 1938 is de theoloog K.H. Miskotte, dan nog dominee in Haarlem, net terug van huisbezoek aan een depressieve vrouw. Hij schrijft het volgende in zijn dagboek: “De zwaarmoedige heeft een uiterst verfijnd gevoel voor kwaliteit, voor geestelijke rang en waarde. Misschien moet men het omkeren: juist omdat een mens dat heeft, wórdt hij zwaarmoedig. En als de zwaarmoedigheid erfelijk zou zijn, zou men ongetwijfeld vinden dat daaraan ten grondslag ligt de erfelijkheid van het kritisch gevoel voor waarden. Hoe moet het hem vergaan in een wereld als deze, waarin dingen worden verkondigd en zie, het zijn waarheden die liegen en het zijn leugens die waarheid spreken? Mij ontbreekt misschien de kracht, maar zeker het geduld om al deze wartaal te zuiveren. Maar ik hoor ze de ganse dag gonzen. Dat is om ontstemd te worden, onthand, ontadeld, ontmoedigd.”vii Zo weet Miskotte als zo vaak de mensenlevens om hem heen en zijn eigen leven te verknopen met wat in de samenleving aan de hand is. En in 1938 weet Miskotte al bijna zeker dat het niet goed zal aflopen.

Ik neem u voor het derde deel van mijn verhaal mee naar de eerste twee oorlogsjaren. In 1941 verschijnt van de hand van Miskotte Het waagstuk der prediking, een homiletisch geschrift, maar met een vlammende politieke inleiding: “Misschien, of waarschijnlijk, zullen de meesten, die deze kleine verhandeling ter hand nemen, teleurgesteld zijn, omdat zij naar hun mening niet geeft wat de titel belooft. Want het is inderdaad niet ‘actueel’, wat hier gezegd wordt; het gaat niet over het gevaar, te veel te zeggen in een bezet gebied, het gaat niet over de bijzondere menselijke moed, die onder de huidige omstandigheden vereist wordt. Het is algemener, schijnbaar ook abstracter; ons mensenleven, ons ganse bestaan blijkt ‘bezet gebied’, waarin voor het Woord Gods geen plaats is. Als het Woord dan toch nog zijn loop heeft, is het, omdat het zijn eigen gang gaat. Jezus Christus werd letterlijk geboren in bezet gebied; hij heeft geleden onder Pontius Pilatus; […] (hij) leeft in een wereld, die wel niet het bezit, maar toch heel werkelijk het machtsgebied is van de Vorst der duisternis, die de harten en zinnen verblind heeft. […] Dan zullen zij niet meer teleurgesteld zijn en verstaan, dat hier sprake is van het bij uitnemendheid actuele; dan zullen zij opnieuw met verwondering geleid worden in een land van ongedachte vrijheid.”viii

Van ‘bezet gebied’ tot een land van ‘ongedachte vrijheid’ – genoeg voor de goede verstaander, te weinig voor de censor – het boekje werd niet verboden.

In het begin van de oorlog spelt Miskotte het Bijbels ABC. Adriaan Geense heeft een rake typering van dit boek gegeven in de inleiding van de Duitse vertaling uit 1976. Hij zegt daar dat het in 1940/41 mensen als Miskotte gaat om “een betere weerstand, om vorming, stichting, niet zozeer van de kerk, als wel van gemeenten, kernen, groepen van bewuste christenen, om hen in het horen naar het Woord ook geestelijk bekwaam te maken tot verzet tegen de machten van de totalitaire ideologie.” Uit het ABC leest men deze expliciete inhoud niet af, zegt Geense, want allereerst, aan die betere weerstand vooraf, moet nog iets anders gebeuren: het opnieuw leren van het ABC, de geestelijke grammatica van de Schrift. Geense geeft verderop in zijn inleiding een mooie definitie: “Het ABC is geen ordeningsprincipe van dode letters, maar instrument van de Geest, die hen levend maakt. Het alfabet, dat hier gespeld wordt, heeft niet de opzet om de levende Schrift in duizenden begrippen te ontbinden, om daarna wetenschappelijke dansen rondom de geïsoleerde en machteloze begripsafgodjes op te voeren en ze dan ten slotte weer samen te voegen tot nieuwe, eigen reconstructies en synthesen. Men vindt hier geen analytische grammatica, die zich historisch beperkt tot inventarisaties van de Bijbelse literatuur, maar een polemische grammatica, die nieuwe werkvelden zoekt, die nieuwe, beslissende woorden wil spreken.”

Ik interviewde enkele jaren geleden theologe Mirjam Elbers – zij had hier vanavond ook kunnen staan – over Bijbellezen in ‘bezettingstijd’.ix Wat bedoelt ze nu in deze tijd met het woord ‘bezettingstijd’?

Ze antwoordde: “Daarmee geef ik aan dat we al te gemakkelijk in de theologie ons horig maken aan een taal die de onze niet zou moeten zijn. Op dit moment is naar mijn besef de taal van de markt, van targets en mission statements, van klanten en producten, allesbeheersend. Die taal is universeel geworden en domineert de manier waarop de kerk hier in het Westen en in de rest van de wereld haar geloof belijdt en mensen bij zich wil betrekken: je moet mensen pakken met een makkelijk en toegankelijk product, mee concurreren met andere zinaanbieders en daarom spreek je de taal van de ‘bezetter’. Dat vind ik een verkeerde weg. Zowel hier als daar geldt dat je inziet en erkent dat de taal van de markt een andere taal is dan de taal die uit de Schriften spreekt. Dat het niet jouw opdracht is om een product te verkopen, maar dat je je gezamenlijk laat aanspreken door die vreemde taal die uit de Bijbel opklinkt. De kerk leeft altijd in bezettingstijd, moet zich altijd verstaanbaar maken in een vijandige omgeving, een omgeving waar ze overigens ook deel van uitmaakt. Dat zou de kerk niet moeten doen door de taal die haar inspireert in te leveren voor de mode van de dag, en het geloof in te wisselen voor een soort civiele religie die het goed doet op de markt van zinzoekers.”

Gevraagd naar het Bijbels ABC van Miskotte zei Elbers: “Onze woorden, ook die van ‘de markt’ (denk aan ‘groei’, ‘product’, maar ook aan ‘identiteit’ of ‘religie’ of andere woorden die wij op dit moment belangrijk vinden), komen in de Bijbel niet of nauwelijks voor. Door je te concentreren op de Bijbelse grondwoorden – zoals Miskotte deed in Bijbels ABC – word je je bewust van de ideologie die jou ongemerkt bezet, maak je je besmette taal leeg en zo wordt je verzet krachtiger, wordt je weerstand beter.” Betere weerstand is – zoals u zult weten – de titel van het illegale geschrift uit 1941 waaraan Miskottes naam verbonden is.

Je besmette taal leegmaken, foute woorden in een massagraf leggen, zou het helpen? En hoe niet bezet is dan die andere taal, de taal van de Bijbel? Laten we wel wezen: ook die taal is natuurlijk eeuwenlang geframed, ingekapseld in onderdrukkende dogmatische vertogen, in godsdienstpedagogisch dwangmateriaal in kerkelijke tucht. Ik ken tal van mensen die al rillen bij woorden als ‘genade’, ‘dankbaarheid’, ‘eeuwigheid’, ‘zonde’. En dan is er geen uitleggen meer aan. Ik preek de laatste jaren veel en ik merk dat ik heel veel tijd kwijt ben met het ontframen van de Bijbeltaal en de Bijbelse woorden. Noemt u ook dat gerust bevrijdingstheologie.

Erich Auerbach (1892-1957), ook een Duits-joodse romanist, iets jonger dan Klemperer en tijdgenoot van Miskotte, gevlucht voor de nazi’s naar Turkije, publiceerde in 1946 het beroemde boek Mimesis, een boek over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid.x Mimesis opent met het befaamde essay ‘Het litteken van Odysseus’. Daarin verwondert Auerbach zich over het enorme verschil tussen de taal van Homerus’ Odyssee en die van het Bijbelboek Genesis. De teksten zijn ongeveer even ‘klassiek’, maar hun schrijfstijl is totaal verschillend. “Aan de ene kant – Homerus – geboetseerde, gelijkmatig belichte, aan plaats en tijd gebonden verschijnselen, naadloos verbonden op de voorgrond, uitgesproken gedachten en gevoelens; gebeurtenissen, arm aan spanning, die zich in alle rust voltrekken. Aan de andere kant – Genesis – wordt in de verschijnselen alleen belicht wat voor het doel van de handeling belangrijk is, de rest blijft in het duister; slechts de beslissende hoogtepunten in de handeling worden geaccentueerd, wat ertussen ligt is irrelevant; plaats en tijd zijn onbepaald en behoeven nadere uitleg; de gedachten en gevoelens blijven onuitgesproken, worden alleen gesuggereerd in het zwijgen en in fragmentarische uitlatingen; het geheel, in maximale en continue spanning op één doel gericht en in zoverre veel homogener, blijft raadselachtig en ‘achtergrondelijk’.” (14v)

Het vaak te berde gebrachte verwijt dat Homerus een leugenaar is, doet niets af aan zijn werking; hij behoeft zich niet te beroepen op de historische waarheid van zijn verhaal, zijn werkelijkheid is sterk genoeg; hij verstrikt ons in zijn netten, spint ons in zijn werkelijkheid in, en dat is voor hem genoeg. In deze ‘werkelijke’, voor zichzelf bestaande wereld waarin wij worden binnengetoverd, ligt verder ook niets besloten dan deze wereld zelf; de homerische verzen verbergen niets, ze bevatten geen leer, geen geheime tweede betekenis. Homerus kan men analyseren zoals wij dat hier geprobeerd hebben, maar men kan hem niet duiden. […] Dat alles is in de Bijbelverhalen totaal anders. Deze willen niet de zinnen betoveren, en als ze desondanks ook in zintuiglijk opzicht een zeer levendige indruk maken, komt dat doordat de ethische, religieuze en innerlijke voorvallen, die hun enige doel vormen, zich in het zintuiglijk waarneembare materiaal van het leven concretiseren. De religieuze intentie veronderstelt echter een absolute aanspraak op historische waarheid. De Bijbelse verteller, de Elohist, moest in de objectieve waarheid van het verhaal over Abrahams offer geloven – het voortbestaan van de heilige leefregels was op de waarheid van zulke verhalen gebaseerd.” (16v)

Dat laatste had Auerbach niet zo geformuleerd als hij van Miskotte had geweten, of Karl Barth had gelezen. Dit zegt Miskotte over de waarheid van Genesis, in zijn dagboekaantekening van 27 maart 1939: “Is geloof niet ten diepste verwondering over ons bestaan? Genesis 1 is kosmocentrisch, Genesis 2 antropocentrisch. Beide is wáár, maar we spreken in zotte taal. Alle vertellen over God is mythe, en over de levende God kan men alleen vertellen. Alleen het moet wáár zijn! De maatstaf voor de waarheid ligt niet in het verhaal, maar in Dat waarheen het verhaal met twee vingers verwijst.”xi

Vandaar dat ik president Trump dankbaar ben voor zijn concept van alternative facts. Ik had het in een Paaspreek vorig jaar over de opstanding van Jezus als hét alternatieve feit waaruit wij leven. Maar dat was framing van het zuiverste water. In Johannes 18: 38 vraagt Pilatus aan Jezus die voor hem staat: Wat is waarheid? Wilken heeft het in de eerste lezing in deze reeks gememoreerd. In het Latijn van de Vulgaat staat er: Quid est veritas? Kerkvader Augustinus laat Jezus antwoorden: Est vir qui adest – dat is de man die hier voor u staat. En daarbij is het antwoord een anagram van de vraag.

Ik begon mijn verhaal met een merkwaardige tekst. Ik lees u er ten slotte nog een, op een briefkaart die Miskotte op 7 februari 1939 onder ogen komt. Twee weken later zal een debat in de Amsterdamse kerkenraad plaatsvinden tussen Miskotte en de NSB-predikant Ekering. Kan een christen lid zijn van de NSB? is het thema.

Dan de briefkaart. Afzender: ene Uilenspiegel. Tekst: “Wie is de Nieuwe Mens? In geen geval de Joodse timmerman die 1900 jaar geleden stierf. Met deze dode mus, of liever, dooie Jood, mogen Jodenvrienden als Miskotte, Oorthuys c.s. hun volgelingen blij maken – Nee! Economisch, staatkundig en zichtbaar-werkelijk is het: Mussert en een ieder, die Hij zijn kameraad noemt. Houzee. Alleen in Mussert zal het Dietse volk economisch herboren worden en in zijn rasziel zich zuiver houden van vuil jodenbloed. Neem dit ter harte; anders zoudt gij staatsvijand kunnen worden!”xii

Ik heb er weinig aan toe te voegen en veel aan af te doen. Misschien moeten we toch eens verder schrijven aan Van Aardgetrouw tot Aziatisch. We beschikken inmiddels over voldoende nieuw materiaal om verstandige dingen te kunnen zeggen over de gevaren van een nieuwe bezetting van onze taal.

Ik dank u voor uw aandacht.

Willem van der Meiden

i Geciteerd uit George Steiner, ‘Het wonder zonder inhoud’, in: Verval van het woord, tweede druk Amsterdam 1990, 51-65.

ii Victor Klemperer, Tot het bittere einde, Dagboek 1933-1945, Amsterdam/Antwerpen 1997. Oorspronkelijk Ich will Zeugnis ablegen bis zum letzten, Berlijn 1995.

iii Victor Klemperer, LTI, Notizbuch eines Philologen, Berlijn 1947.

iv Victor Klemperer, LTI – de taal van het Derde Rijk, Amsterdam/Antwerpen 2000.

v Michel van Nieuwstadt, Van ‘aardgetrouw’ tot ‘aziatisch’ – materiaal voor een taal- en ideologiekritiek van het fascisme, Nijmegen 1971.

vi ‘Wantrouw het woord ‘volk’ en ‘Geuzen’, in: VolZin, 18 april 2010, 28-31.

vii K.H. Miskotte, Uit de dagboeken 1938-1940, Verzameld Werk 5C, Utrecht 2018, 61v.

viii K.H. Miskotte, Het waagstuk der prediking, Den Haag 1941, 3v.

ix Verschenen in Miskotte Nieuwsbrief 11, winter 2012, 5-7.

x Erich Auerbach, Mimesis – de weergave van de werkelijkheid in de westerse literatuur, Amsterdam 1991. Oorspronkelijk Mimesis: dargestellte Wirklichkeit in der abendländischen Literatur, Bern 1946.

xi K.H. Miskotte, Uit de dagboeken 1938-1940, a.w., 530.

xii K.H. Miskotte, idem, 787.