Wat is waarheid?

  Lezing voor het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie op 5 maart 2019 als eerste in een serie over “Waarheid in tijden van sociale media”.

“Wat is waarheid?”, het citaat is niet helemaal zo oud als de wereld, maar het komt in de buurt. U zult het vast herkennen als de uitspraak van Pilatus (Joh. 18,38). Meestal opgevat als de scepsis van de machthebber, maar volgens Agamben (Pilatus & Jezus) hoeft dat niet en kan misschien eerder gesteld worden, dat hier twee waarheden of twee opvattingen van waarheid tegenover elkaar staan. Des te pijnlijker voor iemand die recht moet spreken en dus op zoek is naar ‘de waarheid en niets dan de waarheid’. Dat iemands waarheid afhankelijk is van iemands (ideologische) opvattingen en gezichtspunten en dat er dus meerdere waarheden naast elkaar bestaan, dat is inmiddels algemeen geaccepteerd, maar al weer een paar jaar geleden schreef de Rus Peter Pomerantsev een boek met de veelzeggende titel: Niets is waar en alles is mogelijk. Het gaat over de manier waarop Poetin en de zijnen verkiezingen manipuleren en de ‘waarheid’ naar hun hand zetten. Anders dan de schrijver, die recent optrad in het VPRO-programma Tegenlicht, ben ik echter bang, dat de Russen niet geheel ongelijk hebben, wanneer ze hun handelwijze verdedigen met de stelling ‘dat de andere landen dat ook doen’. Al is dat natuurlijk in geen enkel opzicht een excuus. Mijn indruk is dat de oorzaak hiervan vooral ligt in de steeds verder gaande commercialisering van onze samenleving, waarin de communicatiewijze van de reclame maatgevend wordt ook voor andere sectoren: je zegt en schrijft niet in de eerste plaats wat waar is, maar ‘wat het goed doet’, ‘wat verkoopt’, ‘waarmee je scoort’. Deze ontwikkeling en vooral de uitwassen daarvan worden volgens mij niet veroorzaakt door de moderne media, maar de moderne media bieden wel het instrumentarium om deze wijze van communiceren veel overtuigender en vooral heel veel sneller toe te passen. Als u mij lastig wilt vallen in de media met een compromitterende foto hoeft u echt niet meer dagenlang in de bosjes te liggen met een fototoestel, maar u plukt mijn kop van een foto op het internet en plakt die op een ander lichaam en in een andere situatie en klaar is kees. Er zijn vakmensen voor nodig om een dergelijke ‘foto’ van ‘echt’ te onderscheiden.

Ik weet ook niet zeker of de nieuwste ontwikkeling in deze propaganda-oorlog door Trump is geïntroduceerd of in Amerika bedacht, maar het feit dat de waarheid zo gemakkelijk geweld aangedaan kan worden met ‘fake news’, biedt ook weer een nieuwe mogelijkheid, namelijk om waarheidsgetrouwe berichten aan te duiden als ‘fake news’ en zo moeilijk als het is om van fake news aan te tonen dat ze onwaar is, even moeilijk is het om van waar nieuws aan te tonen dat ze echt waar is. En dan is inderdaad niets meer waar (of alles) en is de mate waarin je invloed hebt (mede bepaald door het aantal ‘volgers’ op Facebook en Twitter) bepalend voor het ‘waarheidsgehalte’ van je mededelingen. Als je geld en invloed genoeg zou hebben, om je bericht ook nog in de meeste kranten en televisieprogramma’s opgenomen te krijgen, dan kun je de waarheid dus ‘kopen’, en kun je vervolgens afzet, donaties, parlementszetels of zelfs presidentschappen kopen. En met dat ik dit zeg en schrijf, bedenk ik, of het wel verstandig is dit – ook al zou het allemaal waar zijn, en ik ben bang dat dit het geval is – te zeggen, want daardoor zal het geloof in de democratie mogelijk nog verder afnemen, zullen minder mensen zich politiek engageren en zal daarmee de macht van de machtigen nog groter worden gemaakt.

Dat zijn de dilemma’s waarmee we vandaag de dag worden geconfronteerd en ik ben ervan overtuigd dat het maar een tipje van de sluier is, want ik ben op dit vlak natuurlijk in geen enkel opzicht expert. Wel las ik nog niet zo lang geleden in dit verband een nieuwe term, die veelbetekenend is: we leven, zo schijnt sinds 2016, het jaar van de Brexit-campagne en de verkiezing van Trump, steeds vaker gezegd te worden, in een ‘post-truth-era’. Post-modernistisch, post-christelijk en nu ‘post-truth’. Waarheid is voorbij, is niet meer van deze tijd. Wie nu met Pilatus zegt “wat is waarheid”, die bedoelt waarschijnlijk: wat doet het er eigenlijk toe of iets al dan niet waar is! En het is werkelijk de vraag of we dit als cynisme of als realisme moeten beschouwen.

 

Ik zal het maar gelijk zeggen: Ik wil er (nog) niet aan. Hoewel ik heel goed begrijp, dat het steeds moeilijker wordt om op overtuigende wijze de waarheid te verkondigen, denk ik dat het mij niet toegestaan is, de poging daartoe op te geven. Dat heeft met mijn aanstelling te maken, maar veel meer nog, doordat ik een volgeling probeer te zijn, van iemand die gezegd heeft, dat hij ‘de waarheid’ (en de weg en het leven) is. Voor wie dat gelooft is ‘Christus verkondigen’ ook ‘de waarheid verkondigen’. En dat doe je zelfs als je beseft, dat dit ‘jouw waarheid’ of – wat minder particulier geformuleerd – ‘de waarheid in Christus’ is. Dat betekent niet, zoals veel mede-gelovigen eeuwenlang en misschien wel tot op de dag van vandaag hebben gedacht, dat dit de enige waarheid is en dat dus ieder die er anders over denkt ongelijk heeft of liegt. Wie weet heeft van de waarheid in Christus, weet ook dat er eindeloos veel mensen zijn die uit deze waarheid – ook als ze die niet met Christus in verbinding brengen – leven, want waarheid is alleen waarheid als die ook geleefd wordt.

Dat betekent, dat we met elkaar moeten proberen een antwoord te vinden op twee vragen: de eerste is de aloude vraag, wat waarheid is, hoe die ontdekt kan worden, hoe die uit de mist van leugen en bedrog gepeld kan worden en de tweede is, hoe die in onze tijd geloofwaardig gecommuniceerd kan worden. Hoe we daarvoor ook die niet ten onrechte verdachte sociale media optimaal kunnen gebruiken.

Bonhoeffer

Het zal u niet verrassen als ik zeg, dat ik daarvoor te rade ben gegaan bij mijn grote leermeester, van wie ik zonder enige aarzeling durf te zeggen, dat hij de waarheid geleefd heeft en uiteindelijk ook voor de waarheid gestorven is.

In de winter van 1943-1944 heeft Dietrich Bonhoeffer in de gevangenis van Tegel, waar hij sinds mei 1943 opgesloten zit, gewerkt aan een opstel met de titel “Was heiẞt die Wahrheit sagen”. Een fragment van dat opstel, of misschien alles wat daarvan op papier is gekomen en te eniger tijd de gevangenis uitgesmokkeld is, werd door Bethge gepubliceerd als bijlage van de Ethik, die in 1949 voor het eerst werd uitgegeven. Maar in de Dietrich Bonhoeffer Werke, werd die tekst niet opgenomen in de Ethik, omdat niet met zekerheid kon worden aangetoond of die tekst voor de Ethik bedoeld was. Toen Gerard den Hertog en ik de Ethik in het Nederlands vertaalden, hebben we dit fragment weer als bijlage opgenomen, omdat – dat spreekt voor zich – de vraag of je de waarheid moet spreken een ethische vraag is, maar meer nog, omdat we inmiddels weten, dat Bonhoeffer ergens op het manuscript had geschreven: ‘Das 8. Gebot’, het achtste gebod. En we weten nu ook dat het Bonhoeffers bedoeling is geweest om in zijn ethiek, die net als dit essay nooit voltooid is, een bespreking van de Decaloog op te nemen. Aangezien er op het omslag wel heeft gestaan ‘het achtste gebod’, maar in de ons overgeleverde tekst nergens een verwijzing naar de Decaloog te vinden is (zo komt ook de vaststelling, dat in dat gebod niet over liegen of onwaarheid spreken wordt gesproken maar over ‘vals getuigenis tegen je naaste’ in zijn opstel niet eens aan de orde, terwijl we uit zijn aantekeningen weten, dat hij zich daarvan wel degelijk bewust was) , ligt het voor de hand, dat dit ofwel gedacht is als een soort prolegomenon bij de bespreking van dat gebod, of als een overweging, die later uitgewerkt had moeten worden in een veel uitvoeriger bespreking van het gebod. Een derde mogelijkheid is, dat hij heeft begrepen, dat het hem nooit zou lukken om een uitvoerig essay niet alleen in het geheim te schrijven, maar ook de gevangenis uit gesmokkeld te krijgen, en dat hij zich daarom tevreden heeft gesteld met een kort opstel, waarmee hij aan zijn  vrienden ook iets duidelijk kon maken van de dilemma’s waarmee hij geconfronteerd werd. Bonhoeffer had de gewoonte om allerlei gedachtes die hij later wilde uitwerken of vindplaatsen van citaten die hij wilde gebruiken op losse papiertjes te schrijven. Voor zover gevonden zijn die aantekeningen later uitgegeven in een ‘Ergänzungsband’ bij het verzameld werk onder de titel: Zettelnotizen für eine Ethik. Daarin staan vier pagina’s met aantekeningen uit Tegel, die allemaal betrekking hebben op dit onderwerp. Zou hij alle daar geformuleerde ‘Stichworte’ hebben uitgewerkt, dan zou het een klein boekje zijn geworden. Zo heeft hij in zijn bijbel alle plaatsen opgezocht, waar gelogen wordt, maar geen één van die voorbeelden gebruikt of uitgewerkt in dit fragment. Heel mooi is in die aantekeningen bijvoorbeeld het rijtje: ‘Überreden, Demagogie, schmeicheln, Propaganda, Reklame’. En ergens in die notities schrijft hij: “Wer immer die Wahrheit sagt, kann nicht treu sein“, het is ongetwijfeld een citaat dat hij had willen gebruiken, maar van wie het citaat is, heb ik niet kunnen achterhalen.

 

Aanleiding

De directe aanleiding voor Bonhoeffer om juist in deze periode na te denken en aantekeningen te maken over de vraag wat het betekent de waarheid te zeggen, ligt veel meer voor de hand. Dat moet haast wel zijn, omdat dit de periode is, waarin hij uitvoerig en veelvuldig ondervraagd wordt door de nazi-onderzoeksrechter Manfred Roeder. Bonhoeffer moet zich dus van dag tot dag zorgvuldig afvragen, wat hij wel en wat hij niet moet zeggen. Dat hij Roeder zonder meer alles zou zeggen wat hij weet en dus ‘de waarheid en niets dan de waarheid’ zou zeggen, is ondenkbaar. Het is een ingewikkeld bedrijf: zwijgen is geen optie, want Bonhoeffer wil zichzelf vanzelfsprekend voordoen als een onberispelijk mens (wat hij ook is), die niets te verbergen heeft. Dus is het zaak om waar ook maar enigszins mogelijk (dat wil zeggen, wanneer jijzelf of anderen daarmee niet in gevaar worden gebracht) de waarheid te spreken en als je genoodzaakt bent te liegen, dan zo te liegen dat het niet gemakkelijk achterhaald kan worden en bovendien nog bij voorkeur met dezelfde leugen als die zijn zwager Von Dohnanyi zou gebruiken, die immers ook opgepakt is en bovendien in het complot, waarin ze beiden betrokken zijn een nog veel vooraanstaandere positie inneemt. Je moet dus buitengewoon op je hoede zijn, niet terugkomen op een eerder vertelde waarheid en een eenmaal gedebiteerde leugen exact blijven herhalen. Zo weten we bijvoorbeeld uit de verhoren dat Bonhoeffer tegen Roeder heeft gezegd, dat hij door de Bekennende Kirche was gevraagd om in aansluiting op zijn eerdere boek over de navolging een ‘concrete’ ethiek te schrijven. Hij wist immers dat er bij zijn arrestatie handgeschreven vellen van de ethiek op zijn bureau hadden geleverd en ongetwijfeld in beslag waren genomen. Verzwijgen dat hij daarmee bezig was, zou dus verdacht zijn. En omdat hij het zonder noodzaak heeft uitgesproken, mogen we er zonder meer van uitgaan dat het waar is. Maar dat ‘ingewikkelde bedrijf’ betekent ook, dat hij voortdurend bezig is te bedenken, niet alleen wat waar en niet waar is, maar ook welke waarheid wel en welke niet verteld moet worden. Er is alle reden, om aan te nemen dat dit doorlopend bezig moeten zijn met de waarheidsvraag, hem ertoe brengt gedachtes over wat ‘de waarheid zeggen’ zou moeten betekenen op papier te zetten.

 

De relatie met de naaste

Het uitgangspunt van Bonhoeffers overwegingen in dit fragment, haal ik ook uit die genoemde aantekeningen. Daar schrijft hij: “8. Gebot bezieht sich nicht auf die Sache, sondern ganz auf den Nächsten“. Dat is ook de reden dat ik zei, dat Bonhoeffer zich er terdege van bewust was, dat in het achtste gebod niet over ‘liegen’ wordt gesproken maar over ‘het spreken van een vals getuigenis tegen je naaste’. Niet de vraag of je altijd de waarheid moet zeggen staat centraal, maar de naaste; wat doet jouw uitspraak hem of haar. Je kunt iemand met een leugen kapot maken, maar ook met een waarheid, die op dat moment beter niet gezegd had kunnen worden. De waarheid zeggen, stelt Bonhoeffer, betekent niet in alle situaties hetzelfde. Het hangt af van de plaats waar je staat en je positie in de wereld. Een ouder mag van zijn kind vragen dat hij de waarheid spreekt, maar mag een kind ook van zijn ouders eisen dat zij hem alles naar waarheid vertellen? Ergens in het opstel vertelt Bonhoeffer een prachtig verhaaltje, dat ik maar even in mijn eigen woorden weergeef. Stel de leraar vraagt aan een scholier: “Is jouw vader gisteren weer dronken thuis gekomen”. Stel dat het waar is, wat moet de scholier dan zeggen: moet hij ‘de waarheid zeggen’ en daarmee zijn vader afvallen of ontkent hij, omdat hij beseft, dat de leraar deze eerlijkheid niet van hem mag verlangen en hij solidair wil blijven met zijn vader. Hij zegt daarmee dat er verschillende levenssferen zijn, die hun eigen waarheid hebben. De intimiteit van het gezin mag niet aangetast worden door de school. Ik sluit niet uit, dat het verhaaltje een dubbele bodem heeft, omdat het niet onwaarschijnlijk is, dat de leraar, die onherroepelijk lid is van de nationaalsocialistische onderwijzersbond (anders zou hij geen les meer mogen geven) niet zo zeer geïnteresseerd is in het drankgebruik van de ouders van zijn leerlingen, maar veel meer in hun politieke gezindheid, waarover ze in de beslotenheid van het eigen huis wellicht vrijer spreken dan daarbuiten. En dat Bonhoeffer dus heeft willen waarschuwen, dat er leraren zijn die veel te veel vragen en dat ‘je moet altijd de waarheid spreken’ in dat geval niet het meest geschikte  advies aan je zoon of dochter is. ‘Gleichschaltung’ heet het in N.S.-jargon en dat betekent dat ieder begrip voor de intimiteit van de verschillende levenssferen wordt opgeheven. Alles moet in het teken staan van het ene gezamenlijke doel, de ene gezamenlijk beleden waarheid. Natuurlijk bij ons mag iedereen nee zeggen, maar dat verdwijnen van het besef dat er nu eenmaal verschillende levenssferen zijn, neemt ook in onze tijd ernstige vormen aan en natuurlijk primair door de commercie en de media – in dit geval vooral de omroepen – die willen scoren. Hoe halen mensen het toch in hun hoofd om geld te bieden om de intiemste momenten van je leven vast te laten leggen en te delen met miljoenen anderen die je helemaal niet kent. Dat er in zo’n geval altijd mensen zijn die het geld aannemen, verwijt ik hen minder dan degenen die ze daartoe overhalen. Ik wil geen geboortes op t.v. zien, ik hoef van anderen niet te weten, wanneer ze het voor het eerst gedaan hebben. Ik hoef ook het grootste persoonlijke verdriet niet in beeld gebracht te krijgen. Dat heeft niets met preutsheid te maken, maar met dat besef, dat er verschillende levenssferen zijn. Je bent niet verplicht om de waarheid te spreken, wanneer je vragen worden gesteld, die ongepast zijn. Bepaalde dingen mogen (misschien moet ik zeggen: moeten) binnenskamers blijven. De media zijn in de tijd van Bonhoeffer natuurlijk lang niet zo ontwikkeld als nu (al heeft vooral de radio – en dat is per definitie een ‘gelijkgeschakelde’ radio – grote invloed) maar dan al schrijft hij: “Het is een gevolg van het feit dat het publieke woord in krant en radio de overhand krijgt, dat het wezen en de grenzen van de verschillende woorden niet meer duidelijk worden gevoeld, ja dat bijvoorbeeld het eigen karakter van het persoonlijke woord bijna verwoest wordt. In plaats van echte woorden komt gezwets. De woorden hebben geen gewicht meer.” Er worden geen gedachten meer ontwikkeld maar soudbites afgegeven.

Ik herinner me de tijd dat de IKON soms een uur uittrok om twee mensen echt met elkaar in gesprek te laten komen. Dat tussen Dorothee Sölle en Beyers Naudé heb ik gelukkig op DVD. Het is een echt, ontroerend gesprek, een monument van waarachtigheid. Dat kan niet meer. Als iemand meer dan drie zinnen achter elkaar zegt op televisie, begint Van Nieuwkerk onrustig te draaien. De regie zegt in zijn oortje dat hij vaart moet maken. Heeft de waarheid soms ook geen tijd nodig. Ik wil mensen niet overdonderen, ik wil iets uitleggen! In een veel eerder opstel van de ethiek heeft Bonhoeffer geschreven: “Erger is het wanneer een leugenaar de waarheid spreekt dan wanneer een liefhebber van de waarheid liegt (Dietrich Bonhoeffer Werke 6, Ethik, 62)”. Toen ik dat voor het eerst vertaalde, moest ik gelijk denken aan de documentaire van Hedda van Gennep met de titel: “Als een fascist ademt dan liegt hij”. Alle nazi-propaganda was één grote leugen, zelfs als ze een keer toevallig iets zeiden dat formeel in overeenstemming was met de waarheid. Maar wie werkelijk van de waarheid houdt, die weet dat er soms gelogen moet worden omwille van de waarheid, omwille van de liefde, om andere mensen niet te beschadigen.

 

Criteria voor de waarheid

Maar de opdracht om de waarheid te spreken is een gebod uit de bijbel, we zijn het dus primair aan God verschuldigd. Dan zegt Bonhoeffer ”Dat is juist, voor zover niet buiten beschouwing wordt gelaten, dat God geen algemeen principe is maar de Levende, die mij heeft gesteld in een concreet leven en daarin mijn dienstbaarheid verlangt.” Waarachtig zijn tegenover God betekent dus – en dat is waar Bonhoeffer zich in zijn concrete situatie in verband met de ondervragingen aan vast wil houden – heel goed nadenken, wat je in welke situatie wel en niet zegt, zodat je anderen daardoor niet beschadigt.

Aan het slot van het fragment stelt Bonhoeffer zich de vraag: “Hoe wordt mijn woord waar?” en dan noemt hij drie criteria:

(1) Doordat ik besef wie mij de aanleiding tot spreken geeft en wat mij het recht van spreken geeft;

(2) doordat ik besef op welke plaats ik sta;

(3) doordat ik het onderwerp waarover ik spreek in deze samenhang plaats. Helaas heeft Bonhoeffer slechts een begin kunnen maken met het uitwerken van het eerste punt, maar wat hij daar zegt, biedt stof tot nadenken voor een ieder die meent dat de vrijheid van meningsuiting (in de regel begrepen als het recht om alles te mogen zeggen wat je vindt of denkt) het hoogste goed is. “De eis om te mogen zeggen wat men denkt, is op zichzelf totaal niet gerechtvaardigd. Bij spreken hoort een recht en een aanleiding, verleend door andere mensen. Voorbeeld: ik kan in gedachten iemand anders voor dom, lelijk, onbekwaam, karakterloos, maar ook voor verstandig of karaktervol houden. Maar het is iets heel anders of ik het recht en de aanleiding heb om dit uit te spreken en het maakt ook verschil tegenover wie ik het uitspreek.”

Natuurlijk wil ik geen taalpolitie instellen, ik zou ook geen schijn van kans hebben, maar de criteria van Bonhoeffer zijn wel relevant. Het zou helpen als verstandige mensen dom en onoordeelkundig gepraat simpelweg zouden negeren. Laat ik een voorbeeld noemen van wat volgens mij te maken heeft met Bonhoeffers eis, dat er een recht van spreken moet zijn. Er stond vanmorgen nog een artikel over in de krant. In ons land heerst al jaren een discussie over het wel of niet inenten van kinderen tegen ziektes als polio, mazelen, bof en dergelijke. Als wij Bonhoeffers advies zouden volgen, dan zou dat betekenen, dat aan het publieke debat hierover slechts diegenen deelnemen, die daar met verstand van zaken iets over kunnen zeggen: huisartsen, epidemiologen, farmaceuten e.d. Natuurlijk we kunnen – vrijheid van meningsuiting! – anderen niet verbieden daar iets over te zeggen, maar een verstandig mens zou de mening van ondeskundige lieden hierover niet serieus nemen. Maar nu wil ik inzicht krijgen over de stand van het debat en ik tik het in op Google, dan zal ik naast een relatief beperkt aantal deskundige meningen een veelheid krijgen van reacties van beng gemaakte mensen, die vermoeden dat hun kind bijvoorbeeld autistisch zou kunnen worden door zo’n inenting. Wie dat zegt, heeft niet alleen geen verstand van kinderziektes en van inentingen, maar al helemaal niet van autisme, dat zoals iedereen weet die ouders met autistische kinderen kent, een aangeboren zaak is. Door ook dergelijke opvattingen serieus te nemen in de trant van “daar kan ook heel anders over gedacht worden” wordt de discussie vervuild en verwordt zij tot een onzalig welles-nietes.

Ligt dat aan het internet? Nee, dat ligt hooguit aan de mogelijkheid die internet biedt om onzin wereldkundig te maken. Die mogelijkheid was er al, maar het kostte daarvoor alleen heel veel meer geld, tijd en moeite.

Valt er iets tegen te doen? Er wordt geroepen om ‘fact-checkers’ op het internet, de providers zouden de verplichting hebben om fake news te onderkennen en te weren. Maar dan is er toch een taalpolitie en wel één, die ik allerminst vertrouw. Op het gevaar af voor elitair te worden versleten, waag ik het toch om te zeggen, dat hier eigenlijk alleen goede voorlichting en goed onderwijs werkt en misschien nog wel meer dan deze noodzakelijkheden, dat er gepraat wordt, echt gepraat. De grootste invloed heeft het internet (ik bedoel natuurlijk de mensen die hun opvattingen op internet zetten) op mensen – en dat zijn er steeds meer – die het contact met hun medemensen meer en meer verliezen en in plaats daarvan opgaan in de virtuele wereld van het internet. Niet zelden is voor hen het internet de enige die hen nog van nieuws voorziet.Ik zal niet ontkennen dat het internet ook eenzame mensen aan gesprekspartners ‘all-over-the-world’ kan helpen, maar juist mensen die voor hun ‘menselijke contacten’ vooral op het internet aangewezen zijn, verliezen gemakkelijk het zicht op het verschil tussen virtueel en werkelijk. Complotdenkers vinden moeiteloos medestanders op internet en tegelijk kun je complotdenkers onmogelijk bestrijden door te beweren dat er geen complotten zijn.

Wat is waarheid? De vraag is niet beantwoord, maar ik denk dat het al belangrijk is, dat er over die vraag wordt nagedacht en dat er dus vanuit wordt gegaan dat er nog zoiets als waarheid is. Zelfs in een ‘post-truth-era’ is het onze plicht op zoek te blijven naar de waarheid, een waarheid met een menselijke maat, een waarheid waarmee mensen niet kapot worden gemaakt, maar waarbij ze op kunnen bloeien. ‘De waarheid zal u vrijmaken’, schrijft Johannes in zijn evangelie (Joh. 8,32). En dat gaat niet over een uitspraak die in overeenstemming is met de feiten, maar over een waarheid die getuigt van een andere werkelijkheid: deze wereld nieuw, dat is de waarheid die belichaamd wordt door hem die de waarheid is en ons met die waarheid wil maken tot bevrijde mensen, die mogen leven uit de waarheid.