Lezing voor LATE over De tekst mag het zeggen. Bijbellezen volgens Karel Deurloo.

19 september 2020, Thomaskerk Amsterdam

Een paar keer heb ik al over Karel en mijn boekje over hem gepraat, en steeds online. Wat is het mooi om voor het eerst met echte mensen, lijfelijk, daarover te kunnen praten.

En dan op deze plek! Want dat moest natuurlijk hier. Deze plek was de laatste jaren zijn kerk, hij kwam hier, voor zover het kon, ook in die laatste jaren, voor een NBV-vrije dienst – en heel wat meer natuurlijk. Op deze plek was vorig jaar juni de gedachtenisviering voor hem. 

Maar deze plek raakt ook aan mijn verhaal: dat begon in mijn studententijd, daar beneden, in de Thomaskapel waar toen nog studentendiensten waren, op donderdagavond. Ik heb daar Karel net gemist, ik kwam aan in ’76 terwijl hij in ’75 hoogleraar was geworden; maar zijn geest waarde er nog rond en zijn collega’s en zijn opvolger waren in diezelfde geest bezig met het lezen van de Schriften op die eigenaardige, indringende manier die mij als 18-jarige meteen fascineerde – tot op vandaag. Na zo’n dienst heb ik op een donderdagavond in juni 1978 besloten, theologie te gaan studeren. Dus een prachtige plek om dit boekje te mogen presenteren. 

Een boek presenteren is altijd een uitdaging, zeker als het al uit is: sommigen van u hebben het mogelijk gelezen, anderen nog niet; en als je het té goed doet, te compleet samenvat, dan koopt niemand het boek meer. Ik kan het mezelf natuurlijk makkelijk maken en stukjes voorlezen, maar u kunt het zelf lezen dus dat zal ik weinig doen. Ik wil graag juist wat verder denken over wat geschreven staat.

Voor de foldertekst heb ik het zo geformuleerd: 

“Wat was zijn (Karel’s) geheim? Dit boekje volgt het spoor van zijn vele publicaties en doet een poging het geheim van de leeswijze van Karel Deurloo te ontsluiten.” 

De eerste recensie van het boekje was van collega Nico Riemersma, op zijn website, en die is heel vriendelijk maar wat hij erbij schreef aan mij was: 

“Wat nu het specifiek eigene was van Deurloo’s leeswijze (t.o.v. Frans Breukelman), kan ik echter uit je boek niet opmaken.”

Dat klopt in zekere zin! En dat komt omdat er zomaar op die vraag geen antwoord is, in de zin van ‘nou, dat zit zo’. Je hebt wetenschappers die je met één beeld of concept kunt verbinden, bij Luther zeg je ‘Hoe krijg ik een genadige God’, of ‘was Christum treibet’. Maar Deurloo? Ja, de tekst mag het zeggen. En daar is veel mee gezegd! Maar het is natuurlijk wel een formele en geen inhoudelijke these. De tekst mag het zeggen, maar wat zegt die tekst dan? Is dat helemaal open, telkens nieuw? Staan onze oren daar helemaal blanco naar gericht en is het elke keer verrassend, of lezen wij ook ieder op onze eigen manier? En in dat laatste geval, doen we dat dan zuiver op grond van wat we uit diezelfde Schriften al hebben geleerd, een Bijbels-theologisch frame, of nemen we ook onszelf mee, onze eigen voorkeuren, behoeften, accenten? En zo ja, is dat erg? Hermeneutische vragen, die zich opdringen wanneer je praat over bijbellezen. Wij zouden het vanmiddag hebben over ‘bijbellezen volgens Karel Deurloo’, maar ook dan zijn die vragen actueel.

Eerst een aanloopje om er even weer in te raken. Karel – ik houd het daar toch maar op, zo kende ik hem sinds mijn doctoraalfeestje – was de onbetwiste aanvoerder van de ‘Amsterdamse richting’ in de theologie, ooit wereldberoemd in Amsterdam en omstreken en berucht in de rest van Nederland. Wat daar werd ontwikkeld in de laatste decennia van de vorige eeuw, was een best gecompliceerde maar toch intern samenhangende manier van theologie bedrijven. Je kunt die op veel manieren karakteriseren, maar de beste vind ik nog steeds die van Uwe Bauer in zijn Deutsch-gründliche artikel Amsterdamer Schule op Wibilex, bijbelse internet-encyclopedie.

Bauer, leerling van Deurloo maar met het voordeel van een herkomst ‘van buiten’, een frisse blik, onderscheidt vijf ‘poten’ aan het schaap; ‘Wesensmerkmale’ in zijn moederspraak:

  1. Amsterdam als ‘mokum’, ‘Jeruzalem van het westen’, joodse achtergrond;
  2. de dialectiek van lezen en horen, literair lezen en theologisch luisteren naar de zeggingskracht van de tekst;
  3. de theologie van Miskotte;
  4. multidisciplinair, grensoverschrijdend, werken;
  5. geëngageerde theologie, aangeraakt door bevrijdingstheologie. 

Die vijf wezenskenmerken vind je allemaal bij Karel terug, maar wel in verschillende mate. Ik loop ze met u langs, want dat geeft een mooie kapstok om zijn werk over het voetlicht te brengen.

  1. Het eerste punt is Mokum, het ‘Amsterdamse’, lokale, joodse. Dat is aan de ene kant natuurlijk de basis; Karel kende de Joodse contemporaine bronnen heel goed, en zijn theologie was ervan doordrenkt, dat het ging om Israël, en om de God van Israël. De joodse traditie, bijvoorbeeld in de vorm van de Midrasj, de Targum, de latere Joodse exegeten, kwam geregeld voorbij in zijn colleges en zijn geschriften. Hij wist zich de opvolger van Juda Lion Palache, hoogleraar Oude Testament aan de UvA, bijzonder destijds een Jood op die leerstoel, 1926-1941 (de jaartallen van Palache’s leven zijn 1886-1944…). Karel vertelde me ooit dat hij Palache’s toga droeg, zij het met een brede strook fluweel eronder, hij was een stuk langer; hij beschouwde dat als een grote eer, zulke dingen betekenden iets voor hem.

En toch, hij is voor zover ik kan achterhalen nooit zo heel actief geweest in de dialoog Joden-Christenen, OJEC en zo. Hij was daarvoor vermoedelijk te veel christelijk theoloog, hij had te veel zijn eigen visie op Tenakh, dat voor hem nadrukkelijk deel uitmaakte van de tweedelige christelijke bijbel. Kom ik op terug, maar vast even dit: ik had ooit een collega die, als hij een discussie niet kon winnen, mopperde dat ‘die moderne theologen allemaal net zo geloven als liberale joden’, waarmee hij bedoelde dat het vooral ethiek was, en de christologie eruit was verdwenen. Voor wie dat ook waar mag zijn, niet voor Karel Deurloo! En daarmee staat er dan ook meteen een rem op alleen maar een Joodse leeswijze van Tenakh: er is ook dat Messiaanse perspectief, er is ook dat verhaal van die ene Jood die de Thora radicaliseert en ‘vervult’. 

2. De dialectiek van lezen en horen. Daarmee bedoelt Bauer de combinatie van zorgvuldig de tekst lezen en open staan voor de theologische zeggingskracht van die tekst. Dat is, denk ik, de kern, waar het ’t praktische, exegetische werk betreft. Dat is een subtiel en ingewikkeld proces, omdat het vraagt om een combinatie van vaardigheden die mogelijk twee hersenhelften maar in elk geval meerdere theologische disciplines bestrijken: enerzijds close reading, literair, indeling, motiefwoorden, werkwoords’tijden’, macrosyntactische signalen, de hele rataplan. De methode, het ambachtelijke, waar ik in mijn boekje nogal ruim aandacht voor vraag (blz. 25-27). Niet met voorbijgaan aan de ontstaansgeschiedenis, maar die staat wel ten dienste van het verstaan van de tekst. En anderzijds, en dat is dan het theologische horen, aandacht voor de inhoud. Niet schromen om het over God te hebben. Niet de krampachtigheid van ‘vertalen en uitleggen moet zonder theologie, want anders ben je bevooroordeeld’. Nee, De tekst mag het zeggen, dat betekende voor hem ook: de tekst alleen, sola scriptura. Geen ‘Vorverständnis’ maar wel voluit de zeggingskracht van de tekst serieus nemen. En dat betekent onder andere: de geloofsinhoud van de tekst hooghouden als een niet-reduceerbare categorie. Ik zeg dat een beetje ingewikkeld omdat ik het precies wil zeggen, maar ik bedoel dit: bij alle exegesis of suspicion, waarbij je doorvraagt naar belangen in de tekst, posities die verdedigd worden (prima op zich) gaat men er soms vanuit dat achter een geloofsmotief altijd iets anders moet zitten, dat geloof alleen maar een dekmantel voor iets anders, alleen maar ideologie is. Maar daar kom je Karel tegen: zo lezen kan niet vanwege de Naam, die niet te reduceren is tot een stukje ideologie.

Deze week las ik nog eens Exodus 34:6-7, de beroemde woorden waarin JHWH zichzelf voorstelt aan Mozes, aan het volk:

Adonai, Adonai 

Godheid ontfermend en genadig!- 

lankmoedig en overvloedig in vriendschap en trouw! 

die vriendschap bewaart voor duizenden… enz. (naar de Naardense Bijbel).

Daar staat JHWH, JHWH, twee keer, waarom? Je kunt er tekstkritisch naar kijken: diplografie, de LXX heeft maar één keer (maar die verwijdert wel vaker zgn. ‘overbodige’ herhalingen); je kunt het syntactisch oplossen, het ene JHWH beschouwen als onderwerp van de hoofdzin, maar dan staat het een beetje onverwacht en je gaat in tegen de masoretische accenten. 

Je kunt het ook serieus nemen in zijn theologische zeggingskracht: omdat de Naam alleen maar uitgelegd kan worden met diezelfde Naam: ehjeh asjer ehjeh, ‘ik ben die ik ben’, de eerste en meest volledige uitleg van de Naam is de Naam zelf.

Nu is dat ‘theologisch lezen’ een lastige positie die ook veel aangevallen wordt: telkens weer wordt die verward met een confessionele insteek, waarbij de tekst moet dienen ter illustratie van een reeds bekende confessie. En die insteek bestaat ook nog steeds: onlangs recenseerde ik een boek met als titel Reading the bible theologically, ik was meteen geïnteresseerd maar dat bleek te zijn, een uitleg ‘firmly based on the (!) Christian dogma’, het christelijk dogma, waaronder de triniteit. Dat is geen bijval, dat brengt een werkelijk theologisch lezen in diskrediet; dit lijkt ‘Amsterdams’ maar is het niet. Zo kan de tekst niet meer zeggen wat ‘ie wil, kan alleen maar passen binnen voorgegeven kaders. De verrassing van het lezen is eraf.

3. De theologie van Miskotte – Kornelis Heiko, (1894-1976) de man van Edda en Thora en Als de goden zwijgen. Bauer stelt nogal duidelijk dat dat één van de vijf poten van Amsterdamse theologie is, en zeker, Miskotte was ook voor Karel heel belangrijk. Er zijn mooie verhalen, opgetekend door René Venema, over hoe Miskotte de tv-uitzendingen van Nico Bouhuijs en Karel Deurloo volgt, voor de IKOR in 1967, en daar commentaar op levert, en hoe belangrijk beiden de waardering van hun leermeester vinden, wat niet verhindert dat ze af en toe flink met hem van mening verschillen. 

Tegelijk, ik heb het niet geteld, maar ik denk dat Karl Barth een stuk vaker geciteerd wordt dan Miskotte. En ik denk trouwens dat Miskotte nog te vaak gezien wordt als ‘de man die de boodschap van het OT weer goed op de kaart heeft gezet als fundament voor de bijbelse theologie’, de man van de uniciteit van de Naam, het tegoed van het OT, het profetische, enz. Dat is ook zo, en dat vind je bij Karel ook allemaal uitgewerkt terug, maar Miskotte is óók christelijk theoloog. Als ik één ding geleerd heb bij het herlezen van Karels boeken, dan is het dat hij zo duidelijk in de christelijke lees- en uitlegtraditie staat. Daar is niks mis mee, daar hoeft Karel en hoeft niemand zich voor te schamen, ik sta daar zelf natuurlijk ook in en daarom viel het me mogelijk minder op. Je moet er zelfs nog meer over zeggen: Peter-Ben Smit, een paar jaar geleden in zijn boek Canonical Criticism: “In many ways, the “Amsterdam school” is a typically Reformed school of exegesis”, en daarbij wijst hij dan op dingen als de positie van het OT, de nadruk op het verbond, en de vertaalstijl. Ik denk dat hij gelijk heeft. Waarbij dan de vraag is of hij ook gelijk heeft in het aanwijzen van een mogelijk ontsporingspunt, de focus te veel op het nieuwtestamentisch vervolg van het OT ten koste van joodse tradities, de rabbijnse leeswijze, als niet het doel van Tenakh (p. 91). 

Tegelijk moet je zeggen: er ligt een inherente spanning tussen deze inhoudelijk-theologische lijn van Miskotte/Barth en de ambachtelijk-structuralistische-exegetische lijn van het vorige punt. Voor Karel was dat evenwel geen tegenstelling: hij leefde in de theologie en hij deed exegese, en beide met hart en ziel en oprecht. Ik heb hem eigenlijk niet kunnen betrappen op ‘wishful thinking’, exegese die op maat geknipt wordt om de gewenste uitkomst mogelijk te maken. De grote beslissingen, rondom de narrativiteit, de Naam, het serieus nemen van de Stem die doorklinkt in de verhalen en profetieën, dat klopt. Exegetisch en theologisch. Of ben ik nou zo gesocialiseerd…?! 

4. Multidisciplinair, dat is een kenmerk van Amsterdam, zegt Bauer. Nogal wiedes. Karel was de man die overal verbanden legde, die de theologie als een eenheid zag, die ook kerk en academie niet tegen elkaar wilde uitspelen, en die ook al die terreinen met elkaar verbond. En zich ook zeker bewust was van de verschillen: een college over Psalm 23 en een preek over die tekst (ik heb beide mogen meemaken), dat was echt iets anders, maar dan in de zin van ‘op andere wijze’, niet in tegenspraak. Daarin verschilde hij van iemand als Frans Breukelman, van wie ik gehoord heb dat hij aan een ziekbed weleens de structuur van Psalm 23 heeft willen uitleggen…

Samenwerking met de dogmatiek, daar heb ik een hoofdstukje over geschreven dat vrij kritisch is uitgevallen. Want die lijkt makkelijk, zeker als je een collega treft als Ernst Beker die ons ooit toevertrouwde dat de systematische theologie hem soms treurig maakte maar het lezen van de bijbel (hij begon elke morgen met een paar verzen Hebreeuws) hem telkens weer vreugde gaf. Toch: het lijkt niet goed te werken en ik kom er niet helemaal achter waarom niet. Ze praten langs elkaar heen, ze sluiten alleen op een heel abstract niveau op elkaar aan. Mijn idee is dat ze samen de lijnen hebben uitgezet, maar toen ieder op hun vakgebied eigen wegen zijn gegaan, en dat doet de dogmaticus dan toch op een heel andere wijze dan de exegeet. Jammer. Later bleek dat de bijbelse theologie een veel betere insteek bood: óók een systematisch vak, maar opgebouwd vanuit bijbelse begrippen.

5. Dat Karel geëngageerd theologie bedrijft hoeft geen betoog. Inspelend op de actualiteit, in verbinding met wat er leeft in de samenleving. Dat was voor hem vanzelfsprekend, maar is nooit simpel en makkelijk, nooit ‘grote stappen snel thuis’, maar het ligt wel dicht onder de oppervlakte, het is nooit ver weg. VTM, de Vereniging voor Theologie en Maatschappij die het initiatief nam voor het boekje, was een beetje teleurgesteld dat ik er niet meer van gemaakt had, zo begreep ik. Maar zelfs in een boekje als Vechten voor vrede uit 1980, vlak voor de grote vredesdemonstraties Amsterdam (1981) en Den Haag (1983) blijft het exegese en bijbelse theologie. Karel blijft tot de laatste bladzijde theoloog: kernwapens kunnen niet, moeten de wereld uit en om te beginnen uit Nederland, maar waarom niet? Omdat je niet cynisch dáárop kunt vertrouwen en dus rekenen met massavernietiging of een derde wereldoorlog, maar omdat je vertrouwen ergens anders ligt. Erg bruikbaar als pamflet is dat boekje echter niet, zelfs het laatste hoofdstuk niet, als op de een-na-laatste bladzijde Barth nog eens wordt geciteerd: “God wil van ons, wat hij voor ons wil en gedaan heeft. God wil Jezus.” OK! Nu wordt wel uitgelegd dat ‘Jezus’ de mens is die staat voor het oudtestamentische begrip ‘solidariteit’, chesed, maar toch. Dit hele hoofdstuk is een meditatie over Psalm 36, ‘Mens en dier bevrijdt gij’: het gaat om de bevrijding van de hele schepping, en aan het eind gaan de schoften zonder wapengeweld ten onder, profetisch perfectum, ‘ze zijn al gevallen’, en je wordt uitgedaagd dáárvoor te gaan. ‘In jouw licht zien wij licht’, ook weer uit die Psalm, zijn de laatste woorden van het boekje. Activisme? Ja, maar geen teksten voor op de protestborden, en tegelijk ook spiritualiteit ten top!

Die vijf punten vormen al een heel palet waarmee je het grootste deel van Karel’s theologische werk kunt schetsen, maar je bent er dan nog niet. Je hebt het dan nog niet gehad over de culturele aspecten, de liturgie (de liedjes, waar Wilken over gaat vertellen), de kinderverhalen (die voor Karel veel meer waren dan een bijproduct). Er is zoveel meer. 

Context – een nieuwe uitdaging

Ik heb overwogen wat ik u in de resterende minuten nog wil vertellen, en daarbij wil ik het hebben over een begrip dat ik in het laatste hoofdstukje ook noem: context

Dat dit boekje De tekst mag het zeggen moest heten, lag voor de hand. Het was een bon mot van Deurloo, het was zijn manier om het gezag onder woorden te brengen dat de tekst voor hem had. Gezag dat natuurlijk teruggaat op Degene wiens stem klinkt in de Schriften: God, de Heilige Geest, goddelijke inspiratie, noem het maar zoals je wilt. 

Uiteindelijk ging het hem om wat die tekst te zeggen had, en daarvoor had hij een echte openheid. Vaak wordt daar wel lippendienst aan betoond, elke dogmaticus en zeker die van reformatorische huize heeft wel een hoofdstukje ‘Schriftgezag’. Maar dat ook doen, en je door die tekst laten gezeggen, is iets anders. Natuurlijk had Deurloo ook een idee van wat de boodschap van een bijbelboek, het OT, de bijbel als geheel was, dat had hij ook nodig, maar hij waakte ervoor dat als een keurslijf te laten fungeren waarin de enkele lastige tekst werd ingepast.

Nu is in het recente discours over de bijbel het begrip ‘context’ allesbeheersend. We realiseren ons de laatste decennia meer en meer dat de tekst een context heeft, ontstond in een bepaalde situatie, milieu, maar dat wij ook een context hebben. 

In het laatste hoofdstuk ga ik in op de herontdekking van de lezer van de tekst’: die lezer neemt zichzelf mee. Dat moet binnen de Amsterdamse traditie nog heel goed kunnen, want het ging er toch om dat bijbelteksten geen museumstukken zijn maar teksten die gehoord willen worden; de lezer, of liever hoorder, doet er dus toe. Maar dan komt er dus ook context mee: wat is de leefwereld van die lezer, gender, etniciteit, sociale status. Je ziet bijbelonderzoek een nieuwe ‘poot’ krijgen: veldonderzoek naar de lezer van de teksten. Dat klonk al door in een tekst die Karel schreef aan het eind van de vorige eeuw:

‘Een exegeet is door zijn eigen tijd en maatschappelijke positie bepaald. Wie zich daarvan bewust is zal het oor niet sluiten voor bijvoorbeeld marxistische en feministische kritiek. De exegese-geschiedenis – en niet alleen die van de 19e en 20e eeuw – is een onontbeerlijke correctieve instantie. De oudste exegese-geschiedenis, de traditie-geschiedenis na de wording van de oudtestamentische tekst …’ – en hier breek ik het citaat maar af, want dan duikt Karel weer het vak in, en raakt weg van de moderne contextualiteit… (‘Exegese naar Amsterdamse traditie’, 193).

Het contextuele wórdt dus genoemd, maar dan heb je het ook wel gehad. Er zit hier wel degelijk een probleem, contextueel sluit niet automatisch aan bij ‘De tekst mag het zeggen’. Ik herinner me uit de 80er jaren, dat heb ik maar niet opgeschreven, dat Karel eens briesend de collegezaal binnenliep: ‘Ja, en nu moet ik me als exegeet eerst identificeren, als man, protestants, hetero, sociaaldemocraat, weet ik wat!’ Hij kwam blijkbaar net bij het Vrouwenberaad vandaan… 

De risico’s zijn duidelijk. Als de context alles wordt, dan kom je uit bij de postmoderne gedachte dat elke leeswijze even geldig is, dat ‘anything goes’ en dat de tekst zelf niet meer iets te zeggen heeft. De tekst is wat ik erin lees, ‘erbij voel…’. Dat is het einde van de exegese als ambacht. Gelukkig is het ook niet waar: de tekst is er ook nog, die laat niet alles met zich doen, die is weerbarstig genoeg om nog steeds irritatie en ergernis op te roepen – dus blijkbaar kan de uitleg niet alle kanten op. Gelukkig maar!

Wel maakt lezen door lezers met een heel andere achtergrond de ‘witte, westerse, mannelijke hoogopgeleide exegeet’ (waaronder velen van ons) bewust van eigen beperkingen, blinde vlekken en ongevoeligheden. Dat is winst. En daarom zit er, ondanks dat gesputter van Karel, wel veel in contextueel lezen en is het vaak ook geëngageerd lezen. En zijn volgens mij de tegenstellingen minder groot dan gedacht.

Vooronderstelling is wel: je blijft fair tegenover de tekst, probeert je leeswijze zo min mogelijk te belasten met vooronderstellingen en preoccupaties die je hebt vanuit je eigen achtergrond. Je staat van nature kritisch tegenover elke voorgegeven uitleg, of die nu uit een academische of uit een geloofstraditie voortkomt, ook wanneer het je eigen context betreft, die mag daarvoor geen excuus zijn. 

Kritiek op uitleg en tekst mag; zelfs in de tekst kun je tendensen onderscheiden. Maar bij goede exegese laat je je ook op jouw beurt gezeggen door de tekst, en verwacht niet van een tekst dat die inhaakt op 20e/21e-eeuws feminisme, antiracisme of postkolonialisme. 

Het instrumentarium van Karel, zijn manier van bijbellezen, synthetisch, bijbels-theologisch, betrokken manier van lezen, sluit dan trouwens een stuk beter aan bij een onbevangen ‘leken’-leeswijze dan het instrumentarium van de klassieke bijbelwetenschap, dat gericht is op analyse, in het ergste geval het uit elkaar halen van de tekst in fragmenten.

Tot slot

Een van de eerste lezers van mijn boekje, en niet de minste, Maarten den Dulk, reageerde met: ‘De tekst mag het zeggen, maar mogen wij ook iets zeggen?’ Jazeker, volmondig ja: dat is de dialoog die beoogd is. En dat gebeurt vanzelf: de exegeet, en dat is toch degene die ‘voorbeeldig’ leest en voorgaat in het Schriftlezen, die leest vanuit haar of zijn context, vanuit haar of zijn verstaan, mogelijkheden, associatievelden, enzovoorts. Daar zit iets collectiefs in, iets van de groep(en) waartoe je behoort; maar daar zit ook iets persoonlijks in, iets unieks – zeker als die lezer Karel Deurloo heet! Hij maakte altijd weer een draai die je niet verwacht had, een wending die je niet zag aankomen. Dat maakt hem inspirerend, maar ook moeilijk na te volgen. 

Het geheim 

Nog één keer terug naar het eigene, het geheim, de vraag van collega Riemersma. Ik ontkom er niet aan: dat was Karel himself. Hij was in die zin tamim, uit één stuk, dat hij de schijnbare spanningen en tegenstellingen tussen al die benaderingen in zichzelf wist te combineren tot een overtuigend verhaal. Dat verhaal heeft hij consequent verteld, meer dan een halve eeuw lang. Dat is een prestatie van formaat. Dat er hier en daar wat kanttekeningen bij te maken zijn, het zij zo. Zijn bevlogenheid, die blijft ons bij.