LATE en Obrecht, serie over lichamelijkheid, 27-1-2020

Licht doortrokken van donkerte. Maurice Merleau-Ponty over lichamelijkheid 

Bart Voorsluis

Motto: ‘Met geopende ogen blijft de wereld van de waarneming voor ons onbekend’.

Fragment uit Phénoménologie de la Perception (1945). 

Steekwoorden: ondoorzichtigheid, dubbelzinnigheid. 

  1. Leven en werken

Frans fenomenoloog en psycholoog. Generatiegenoot van Sartre, De Beauvoir en Levinas. Geboren in goed katholiek milieu, een gelukkige jeugd; bedeesd (moeder)kind – na Lycée Henri IV naar École Normale Supérieure, elitehogeschool. Ontmoeting daar met Sartre, sluit beschermende vriendschap met hem. Leraar filosofie vanaf 1930. Verdere psychologiestudie in de ‘nieuwe’ Gestaltpsychologie en 1938 kennismaking met de fenomenologie van de joodse Edmund Husserl, die was verdreven uit Duitsland, maar voortgezet in Frankrijk. Eerste bezoeker/lezer van manuscripten in het archief te Leuven waar diens werken toevlucht hadden gekregen.  Gemobiliseerd in 1939, krijgsgevangen in 1940. Lid verzetsgroep ‘Socialisme et Liberté’, zijn linkse sympathieën brengen Sartre tot het communisme. Werkt vanaf 1944 met hem samen in het nieuwe gestichte tijdschrift ‘Les Temps Modernes’. Na de oorlog betoont Sartre zich aanhanger van het Sowjet communisme. MP verwijdert zich er gaandeweg van en van hem. Breuk met S. in 1952. Vanaf 1949 leeropdracht voor psychologie en pedagogie aan de Sorbonne. In 1952 (ere)benoemd aan het Collège de France. Veel invloed op De Beauvoirs denken. Na erg voortijdige dood aan een hartaanval schrijft Sartre een ontroerend herdenkingsartikel van Sartre  in TM (‘Merleau-Ponty est mort’). 

Hoofdwerken: La structure du comportement (1942, studie over gedrag met kritiek op de natuurwetenschappelijke aard van de psychologie); Phénoménologie de la Perception (1945, over de vooroordelen van psychologische van waarnemingstheorieën en het belang van de lichamelijkheid voor de waarneming) Le visible et l’invisible (postuum en onvoltooid, ondoorgrondelijk). Voorts essays over zeer diverse onderwerpen , van beeldende kunst (L’oeil et l’esprit)tot  politiek (Les Aventures de la Dialectique). Zijn opstel over Cézanne is befaamd geworden. 

  1. Hoe staan we in de wereld? De helderheid en koestering van Descartes’ Ik denk.

Mensen zoeken in de wereld naar zin en waarheid. De mens is vrij, maar leeft in een wereld die geen noodzakelijkheid of vanzelfsprekendheid meer kent. In vroeger tijden was twijfel nauwelijks aan de orde. Ideologische overtuigingen (christendom of marxisme) verhinderden die. Thans kunnen we niet meer op noodzaak vertrouwen vanwege onze ervaring dat alles anders zou kunnen zijn. Vrijheid is mooi, maar we zijn als Oedipus. Die had niet de bedoeling om zijn vader te doden om zijn moeder te trouwen. Toch heeft hij het gedaan en hij was verantwoordelijk. Ons bestaan is een geworpen bestaan, au hasard, een leven op goed geluk. Dat besef zet ons aan tot de vraag: hoe staat de mens in de wereld? Het heldere antwoord kwam uit de traditie, van Descartes en hij heeft daarmee velen geholpen. De mens is een ding dat denkt in verhouding tot de wereld, die daarvan verschilt. De wereld daarentegen is alles wat niet tot dat denkende ding kan worden herleid. Dat denkende ding staat ook bekend als bewustzijn. Hierin is onze vrijheid geconcentreerd, samen met de opvattingen over moraliteit. Tot die denkende substantie kan ook het lichaam niet worden herleid. Dat deelt in een andere substantie, die uitgebreidheid wordt genoemd en die mathematische eigenschappen bezit. Descartes onderscheidde ze van elkaar. Beide, denkende en uitgebreide substantie, kunnen gekend worden op klare en duidelijke wijze. Dit is de helderheid van een opvatting van kennis en een traditie die grote wetenschappelijke resultaten hebben voortgebracht. Zintuiglijke ervaring hoorde in deze traditie tot het lichaam en werd als een bedrieglijke vorm van kennis beschouwd. Alleen het intellect was in staat tot echte kennis die het wezen van de werkelijkheid kon achterhalen. Zo schetst MP de eeuwenlange invloed die Descartes filosofie met name in Frankrijk op wetenschap en cultuur heeft uitgeoefend. Een denkwijze waarmee hij ook vertrouwd was geraakt in zijn opleiding.  

2.1 Een compleet beeld -En de waarnemingswereld dan?  

Maar die was wel vragen gaan oproepen. Wordt hiermee een volledige voorstelling geboden zo, dat er geen vragen meer overblijven?  Wellicht zijn eeuwen van intellectualisme en empirisme eerder belemmeringen geworden voor onze manier om de wereld te ervaren en is wetenschap als toegang tot de ware aard der dingen ernstig overschat geraakt. Er is zoiets als het dogma van de wetenschap als absolute kennis. Dat dogma ging ten koste van de wereld van de waarneming want de echtheid van die wereld was aan twijfel onderhevig en diende steeds opnieuw te worden bewezen. Hoe keren we weer terug naar die wereld, tot de concrete ervaring? In het belang van die vraag werd MP gesterkt door zijn voegere landgenoot Henri Bergson die de opvattingen van Descartes al eerder op de korrel had genomen. Maar de weg die hij vond liep anders, via de fenomenologie, Het antwoord hield het volgende in. De wending komt niet tot stand door onszelf te verplaatsen, maar door een verandering van kader die meer is van de verschuiving van perspectief. 

  1. Een andere visie, een ander kader – de fenomenologie

Voor de terugkeer naar de concreetheid was een andere visie noodzakelijk op de relatie met de wereld en een andere interpretatie van wat ‘bewustzijn’ is.  Dat was de strekking van de fenomenologische methode: beschrijving en analyse van de wereld van de waarneming die bestaat uit de fenomenen zoals die zich presenteren aan het bewustzijn. Anders gezegd: ‘terug naar de zaken zelf!’ De fenomenen zijn dat; de uitspraak doelt nu juist niet op de dingen zoals ze zijn in zichzelf (zoals nog duidelijk zal worden). Maar hoe keren we weer terug tot die werkelijkheid waarin we leven, de concrete realiteit die we meemaken? MP was steeds op die concreetheid bedacht en voelde zich aangesproken door het begrip ‘leefwereld’ dat de stichter van de fenomenologie Husserl in zijn late werk had geïntroduceerd.  

3.3 De onthulling van een wereld

In zijn benadering sprak Husserl over de natuurlijke instelling,  Eeuwen van wetenschappelijk denken hebben gemaakt dat we onze kennis zijn gaan beschouwen als de weergave van een buitenwereld, de dingen buiten ons. Betrouwbare en zekere kennis hield adequate weergave van die buitenwereld in. Waar het nu in de genoemde terugkeer om gaat is, om de blik te wenden naar wat verschijnt aan het bewustzijn. Dat betekent de onthulling van een wereld die bedolven was geraakt onder opvattingen als die van Descartes, sedimenten van een filosofische visie. Het beslag dat ze op haar hadden gelegd, hadden haar aan het oog onttrokken. De teugkeer naar die wereld betekent daarom rehabilitatie van onze waarneming en een nieuw vertrouwen in zintuiglijke kennis. Husserl realiseerde zich dat dit een tegennatuurlijke instelling vergde en een bevrijdende, maar ook een moeizame operatie was. De gehechtheid aan onze natuur en (zoals bij MP) aan de klare ideeën van Descartes wordt fundamenteel ter discussie gesteld,  We dreigen steeds weer terug te vallen in onze natuurlijke aard. Er is daarom, zegt MP, veel tijd, inspanning en cultuur voor nodig om zich te ontdoen van de klassieke vooroordelen en zo de vertrouwdheid met de wereld te herstellen.  

  1. Intentionaliteit – Ik denk dat – De fenomenologische methode

Husserl bracht voor MP belangrijke inzichten. Consequentie van de terugkeer was een nieuwe theorie van de menselijke geest (‘bewustzijn’), een visie op datgene wat zich aan dit bewustzijn toont, de ‘fenomenen’ en tevens de relatie tussen dat bewustzijn en die verschijnselen. Dat wordt duidelijk in het contrast met de klassiek opvatting. Die opvatting van de geest kon worden weergegeven als een ‘ik denk’, Daarmee werd in de verhouding tot de dingen de toon gezet.. Voor Descartes was die verhouding niet zonder problemen als het ging om de betrouwbaarheid van de kennis. Hoe is het, gegeven die verhouding, gesteld met het warheidsgehalte en de zekerheid van de kennis? Husserl echter nam afstand van die opvatting. Hij stelde dat mijn verhouding tot de wereld moet worden gezien als een van meet af en principieel ‘ik denk dat’. De aard van het bewustzijn, de primaire en fundamentele eigenschap ervan, is dat het betrokken is op een inhoud, een object. Bewustzijn los van een inhoud kan niet bestaan. De gedachte van een op zichzelf gestelde geest, een ‘substantie’ die in contact treedt  met een buitenwereld berust op een vooroordeel, een verkeerde visie. Dat vooroordeel had Descartes in problemen gebracht die ook de verhouding van de geest met het lichamelijk bestaan van de mens aangingen. Wie echter ‘bewustzijn’ zegt, zegt volgens Husserl steeds ‘bewustzijn van iets’. In de fenomenologie van Husserl wordt die fundamentele gerichtheid van alle kennis op een inhoud aangeduid als intentionaliteit. Daarmee was een belangrijke kwestie ontweken waarover Descartes en vele andere filosofen van de klassieke periode het hoofd over hadden gebroken: hoe het bestaan van een buitenwereld te bewijzen? Die verandering hield een wending in naar ‘binnen’ en is als volgt getypeerd. De vraag naar het ‘dat’ van de werkelijkheid was voortaan van minder belang. In plaats daarvan ging de onderzoekende blik zich richten op de wijze waarop de wereld zich aan ons voordoet –  het ‘hoe’, Zo kwam de vraag in het vizier naar de betekenis van de waargenomen wereld. Die wending stelde de fenomenologie in staat tot de beschrijving van onverwachte, grote rijkdom en deed recht aan de werkelijkheid zoals die waarin we leven. 

4.1 Het kopje

Maar wat hield dat in? Het voorbeeld van het kopje koffie kan als illustratie van de fenomenologische aanpak (of methode) dienen. Een kopje koffie staat voor me op tafel. Ik drink de koffie op en verlaat de kamer. Bij nader inzien weet niet zeker of het wel leeg is en om daar achter te komen, vorm ik er me vervolgens een beeld van. Later vraagt iemand me of ik mijn kopje heb gebruikt of het zijne. Ik graaf in mijn geheugen welk kopje ik heb gebruikt. Hier zijn drie handelingen verricht (‘akten’ ): waarneming – verbeelding – herinnering.  Ongetwijfeld is ook sprake van drie nieuwe situaties. Maar is er ook een ander kopje? Dat zou de ‘dat-vraag van Descartes zijn. Die vraag is volgens de fenomenologie de verkeerde vraag. Toch is er iets echter van weinig belang, maar toch is er iets veranderd. Toch is er iets veranderd. De akten van mijn bewustzijn, zoals ze worden aangeduid, hebben elk een verschillende betekenis gegeven aan het kopje. Die betekenissen zijn de inhouden van mijn bewustzijn. Er is dus sprake van drie akten In die zin is sprake van drie akten en drie objecten die daarmee corresponderen (of  ‘correleren’). Door mijn akten zijn drie verschillende betekenissen gegeven aan het kopje., drie akten, drie objecten. Wanneer we van kennis spreken, gaat het om de betekenis van wat aan ons bewustzijn verschijnt, zich in ons bewustzijn afspleet. De dingen zijn er niet ‘gewoon’. Dat is een misverstand. Toegegeven, diepgeworteld. Maar een misverstand. Dingen hebben een betekenis. Die betekenis komt tot stand door een wisselwerking tussen akt en object.

De beschrijving en analyse van het bewustzijn, zijn objecten en zijn akten vormen  de kern van de fenomenologische methode. De toepassing van die methode bood een steeds meer gevarieerd beeld van de inhoud van het bewustzijn op. De voordurende verwijzingen naar de  verschijnselen gaf daarnaast ook een verheldering van de methode. Veel fenomenologie deed een beroep op onze directe ervaring of ontleende daaraan voorbeelden. Geen wonder dat veel literatoren zich door de fenomenologie voelden aangesproken.   

  1. Husserl en zijn leerlingen

Leerlingen van Husserl namen zijn inzichten dankbaar over. Maar wel met steeds andere interpretaties ervan, tot aan opvattingen over de methode toe die soms een geheel gewijzigde versie inhielden. Ook MP voelde zich sterk aangesproken door  terugkeer en herstel naar de waarnemingswereld zoals die Husserl had beoogd. Toch bracht ook hij daarin wezenlijke veranderingen aan. Hij meende dat zijn leermeester niet ver genoeg was gegaan, waardoor het begrip van die rehabilitatie hem was ontgaan. Dit kan ook anders worden omschreven: MP wilde de fenomenologische methode uitbreiden met een nieuwe dimensie. Maar wèl met ingrijpende consequenties.          

4.1 De kritiek van Merleau-Ponty op Husserl: theoretisch bewustzijn en betekenisgeving

De eigen visie van MP kan wellicht het beste worden beschreven aan de hand van het kernstuk van de fenomenologie, de intentionele relatie. Bij Husserl was intentionaliteit het gevolg van de breuk met de natuurlijke instelling, met een ons vertrouwde wereld. Intentionaliteit was bij hem verbonden met een theoretische visie op het bewustzijn. Dat theoretische bewustzijn en de daarmee geproduceerde (‘geconstitueerde’) kennis kregen bij hem  het laatste woord. als absolute instantie. Bij Husserl kreeg dat theoretisch bewustzijn eminent belang als grondslag van de waarnemingswereld. Die wereld was gebaseerd op dit constituerende bewustzijn en betekenisgeving werd door hem als een in de kern theoretische aangelegenheid beschouwd. Dat veranderde niet toen de leefwereld een rol ging spelen in zijn latere werk. Juist het concept van de leefwereld had Husserl aantrekkelijk gemaakt voor MP, die – daartoe geïnspireerd door Bergson  – was aangesproken door de concrete ervaring. Voor zijn eigen onderzoeksbevindingen op psychologisch gebied bleek echter het theoretische bewustzijn van ondergeschikt belang te zijn. Dat bracht hem er mede toe om afstand te nemen van Husserls bewustzijnsopvatting afstand te nemen. Wat hij vond bij hem was waardevol, maar niet wat hij hoopte te vinden..  

  1. De betekenis van de onbewuste laag 

Het constituerende bewustzijn zoals Husserl dat zag, kon volgens MP niet het laatste woord bieden. Veel van zijn leerlingen bleken daarmee moeite te hebben, met name met de absoluutheid. Voor MP was het in strijd met de terugkeer naar de concreetheid van de zintuiglijke ervaring. In de kennis van het theoretische bewustzijn gaar het niet om die concreetheid waarmee recht wordt gedaan aan onze ervaring. deze kritiek op Husserl ging gepaard met de ontdekking van een andere vorm van betekenisgeving.  Die theoretische kennis zou niet primair zijn, maar zelf gebaseerd op een onderliggende laag. Die laag hoefde niet noodzakelijk bewust te zijn. In zijn onderzoek van psychologische verschijnselen was MP op die onbewuste laag gestuit, een gebied waartoe een traditionele wetenschappelijke benadering geen toegang kreeg. Met als gevolg dat in dit kader verklaring niet mogelijk bleek. Zo vragen onbeantwoord en problemen onopgelost. Freud had die onbewuste laag wel vermoed, maar de reikwijdte van zijn eigen ontdekking niet begrepen,  bevangen als hij was door de erfenis van Descartes. Een andere benadering, via de Gestaltpsychologie, bood meer perspectief. MP zag die als ondersteuning van de gedachte dat nieuwe inzichten aangaande de aard van de waarnemingswereld ook tot de wetenschap waren doorgedrongen. Zijn streven was steeds – geheel volgens de opvatting van Husserl – het contact tussen wetenschap en fenomenologie vast te houden. Sommige andere fenomenologen, zoals Sartre en Heidegger verbrakern dat contact grotendeels. Maar tot zijn voldoening waren nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen het bewijs van toenadering en bevestiging. De kritiek op de traditionele wetenschap ten spijt, leek dit een hoopvol perspectief te bieden.  

5.1 De status van het lichaam als subject 

Maar een laag van het bewustzijn die voorafgaat aan het bewustzijn zelf, is dat niet ongerijmd? Inderdaad, indien bewustzijn wordt vereenzelvigd  met reflexief bewustzijn.  Maar MP wil spreken over een prereflexief bewustzijn. Zijn bedoeling is om het veld van onze waarneming niet in te perken tot bewuste akten, zoals Husserl had gedaan. Hij nam daartoe een volgende stap waarmee hij afstand nam van zijn leermeester. Hij was niet de enige, andere fenomenologen deden iets soortgelijks. Niet in het bewustzijn ligt onze verhouding met de werkelijkheid, maar in wat onze ‘existentie’ werd genoemd.  Die verhouding werd kenmerkend geacht voor de intentionele relatie. Maar MP gaat verder. Hij legt, tegen alle vormen van spiritualisering in, die verhouding uit in termen van lichamelijkheid. In die verklaring krijgt het lichaam de status van subject. Dat is revolutionair en vormt een ernstige breuk met de traditie. Tot dan toe immers werd het lichaam als object gezien, als een ding onder de dingen en als onderdeel van een wereld. Het subject was het bewuste, rationele, het eigenlijk menselijke. MP vat het lichaam op als iets wat niet primair tot die wereld kan worden gerekend, maar betrokken is in de intentionele relatie en daarvan niet kan worden losgemaakt, op zichzelf gesteld.  

5.2 Het lichaam in de modus van ter hand zijn

Het verschil is essentieel en is wel eens onder woorden gebracht met het voorbeeld van het gebruiksvoorwerp. Een hamer heeft betekenis voor ons als object als we v vragen naar afmetingen, gewicht of zelfs prijs. Maar de eigenlijke betekenis van dat instrument dat ligt niet in het ‘wat’, maar in het ‘hoe’ van het gebruik: om een spijker in te slaan. Heidegger formuleerde het verschil als ‘voorhanden zijn’ en ‘ter hand zijn’, MP nam het over. Oordelen over de precieze eigenschappen van de hamer heeft secundaire betekenis voor de functie. Op de wijze van het ‘hoe’ krijgt ook het lichaam zijn eigenlijke betekenis voor ons. De intentionele relatie van het lichaam kan dus worden uitgelegd als een ter handen zijn. Het lichaam bezit een eigen intentionele relatie tot de dingen. MP spreekt dan ook van ‘lichaam-subject’. Als ding onder de dingen is over het lichaam objectieve kennis te verkrijgen, zoals bij voorbeeld bij weging of onderzoek.  Als lichaam-subject daarentegen is de afstand tot het object die hiervoor voorwaarde is, niet mogelijk. We stuiten op een voortheoretische, prereflexieve laag van het bewustzijn als we onze lichamelijkheid in onze kennis betrekken, die het niet-objectiveerbare van onze wereld behoort. Lichamelijkheid en zintuiglijkheid hebben een onverbrekelijke, diepe relatie met elkaar. Daarom moeten we kunnen we volgens MP niet spreken over een waarnemingswereld zonder de rol van lichamelijkheid te onderzoeken. Ten behoeve van dit ‘corps-sujet’ heeft MP een ongebruikelijk begrippenapparaat geschapen, waarmee ook het tekortschieten van woorden wordt aangegeven. 

5.3 Het geleefde lichaam 

 MP spreekt over een geleefde lichaam. Dit ‘corps vécu’ is het lichaam dat je hebt, maar is in de grond het lichaam van je zelf bent; het eigen lichaam, ‘corps propre’, het lichaam van mij, maar nog meer: het lichaam dat zichzélf bezit. De kern van al onze kennis is lichamelijk van aard. Psychologische inzichten hadden dat bevestigd, aldus MP, in het intrigerende verschijnsel van de ‘autoaffectie’.  Mijn linkerhand raakt mijn rechter aan. In de aanraking van mijn linkerhand is die hand zowel gevoeld als voelend object. Ik voel mezelf als voelende. Dat zou je een vorm van reflexiviteit kunnen noemen die verschilt van het reflexieve bewustzijn, maar wel kennis is. Die zintuiglijke ervaring constitueert, als zintuiglijk subject, mijn ‘ík’. MP spreekt dan ook van een ‘sujet incané’, een belichaamd subject. De termen corps vécu, corps propre en sujet incarné wijzen in dezelfde 

5.4 Het lichaamsschema

 Nog op andere wijze zoekt MP aansluiting bij de psychologie, in wat bekend staat als ‘lichaamsschema’. Darmee wordt de eenheid van het eigen lichaam bedoeld, die zonder geen nadere reflectie of bewijs nodig heeft. Ik weet waar mijn handen en voeten zich bevinden en als mijn arm ‘slaapt’ herken twijfel ik aan het bestaan ervan. Pijn is niet of slecht objectief lokaliseerbaar, zoals bij uitstek blijkt bij fantoompijn, de pij op de plaats van het niet meer aanwezige been. Al;s biologisch gegeven niet verklaarbaar, vanuit dat perspectief zelfs absurd  Dat duidt op het onderscheid tussen het biologische lichaam en het lichaamssubject. Immers, ik ben er niet van te overtuigen dat ik geen pijn heb alleen omdat de situering ervan niet mogelijk is. En mijn weerstand daartegen zou wel eens terecht kunnen zijn. 

5.5 Ik denk – ik denk dat – ik kan

Het lichaamschema uit de psychologie ondersteunt de intentionaliteitsstructuur. Dat schema houdt openheid in naar de wereld. Aan het lichaam voegen we allerlei elementen toe, al dan niet behaaglijke. We kleden het aan, voorzien het van instrumenten en prothesen. We leren ons lichaam ook motorische vaardigheden, maar bij dat alles speelt het objectiverende beschouwen en behandelen geen prominente rol. Dat wordt des te duidelijker als het gaat om het bespelen van een instrument. Zoiets laat zich moeilijk verklaren vanuit het biologische lichaam. (Zie het bijgevoegde fragment uit Fenomenologie van de Waarneming over  het onbekende orgel en zijn bespeler). MP trekt uit waarnemingen als deze ingrijpende conclusies over onze verhouding tot de wereld. Openheid naar de wereld is de nieuwe intentionaliteit. Hij kiest daarvoor een formulering die verschilt van het ‘ik denk dat’ van Husserl. Aan die bewuste intentionaliteit een prereflectieve verhouding vooraf. Husserl had het ‘ik denk’ van Descartes onder kritiek gesteld, MP had dit dankbaar aangenomen. De intentionele relatie moet worden beschreven als ‘ik denk dat’. Op zijn beurt echter corrigeert hij, op grond van de meer omvangrijke opvatting van existentie, het theoretische bewustzijn van ‘ik denk dat’.Zo komt hij tot een herinterpretatie van de intentionaliteit. MP benoemt de intentionele relatie als een ‘ik kan’. Elk ding spreekt tot mijn lichaam en mijn leven. De dingen hebben voor mij betekenis vanwege de lichamelijke verhouding die ik tot ze heb. Die intimiteit is een belangrijk aspect van de herwonnen waarnemingswereld en biedt veelbelovend uitzicht op haar rehabilitatie. 

5.6 Intentionaliteit als ‘être au monde’

 De relatie tot de wereld in de betrokkenheid van het lichaam legt MP uit als existentie zodat  existentie, subject en lichamelijkheid met elkaar samenvallen. Maar wat houdt eigenlijk die relatie met de wereld in? In dat verband is de vraag hoe de mens in de wereld staat van belang. MP spreekt over een ‘être au monde’. Existentie betekent: voordat de dingen theoretische betekenis krijgen (kunnen worden geanalyseerd), hebben ze al betekenis die voortkomt uit de manier waarop we ons tot de wereld verhouden. We bevinden ons niet alleen in de wereld of op de wereld, we bewonen haar ook. Bevolken en bewonen – geteld worden en participeren. We zijn ook als een ding  in (à) een doos. Maar de primaire betekenis van het ‘à’ is toebehorend aan of gericht zijn op. Het is de waarnemingswereld waar we altijd al in zijn, die onze lichamelijkheid uitmaakt. Een inzicht dat niet eenvoudig is te verkrijgen . 

  1. Het kunstwerk als partner van de fenomenologie

Die voorreflexieve laag van ons bewustzijn in het lichaam is  ondoorzichtig. Maar ondoorzichtigheid is niet zonder betekenis. MP heeft, zoals we zagen, in zijn thematisering van de voorreflexieve laag ondersteuning gekregen vanuit  wetenschappelijke inzichten. Maar zijn belangrijkste partner ligt in de kunst, in schilderkunst, romans en poëzie. In de nieuwe kunst zoals die zich heeft ontwikkeld vanaf het midden van de 19e eeuw wordt dezelfde vertrouwdheid met de wereld waarop Husserl doelde met de natuurlijke instelling, op de proef gestel en doorbroken.  Zowel in de kunstwerken zelf als in de reflectie erover wordt een onthutsende kijkwijze voorgestaan, die tegelijk hoogst creatief is. Die expressieve kracht is nog overtuigender dan welk filosofisch of wetenschappelijk inzicht ook. Immers, kunst is vrijer en niet gebonden aan vaste betekenissen van woord en vorm. Ze ontrekt zich bovendien aan de overwaardering van gefixeerde begrippen, zo eigen aan theoretische beschouwingen. Kunst doorbreekt die fixatie op een bijzondere manier. Het kubisme onderbreekt onze gebruikelijke manier van kijken naar de werkelijkheid door ons daarover te laten nadenken Zo kan een manier van schilderen onze vanzelfsprekendheid doorbreken om dan de dingen tot leven te laten komen, ze ‘te laten bloeden voor ons ogen’, zoals MP het uitdrukt. 

6.1 Klassieke en moderne kunstopvatting 

Maar ook hiervoor is een andere kunst nodig dan de traditionele, zoals helder kan worden gemaakt aan het perspectief. Volgens zijn analyse is daar de invloed van de wiskunde onmiskenbaar in het schema dat ahw. over de werkelijkheid wordt gelegd. Het resultaat is dat in het perspectief de blik op het oneindige domineert. Daarmee komt de beschouwer niet alleen in een soevereine positie tegenover de wereld, ook zijn blikken worden er langs geleid. Dat dwingende karakter ontbreekt in de moderne schilderkunst.  De ruimte van de schilderkunst daar wordt niet bekeken, maar gevoeld vanuit het hart en vanuit de verzoening van de mens met de wereld. Klassieke gesproken, wordt de beschouwer gefixeerd op de essentie van het kunstwerk: getrouwe weergave van de werkelijkheid, zoals goed blijkt uit het spel met het ‘trompe l’oeil’. De grote uitvinding van de nieuwe kunst is dat het kunstwerk zijn waarde niet ontleent aan het imiteren van de wereld, maar aan zichzelf. Wát wordt afgebeeld is ondergeschikt aan hóe dat gebeurt. 

6.2 Kunst als bevrijding 

De kunst reflecteert dan niet het zichtbare of waarneembare, maar is uit op het zichtbaar maken. En dat niet als puur-subjectieve aangelegenheid van de kunstenaar, maar met een tegengestelde bedoeling:  het onthullen van een waarnemingswereld die wij allen kennen en gemeen hebben, die echter verloren is gegaan in haar betekenis. Daarin zier ze haar opdracht tot bevrijding. Zo kan kunst gesedimenterde betekenissen loswrikken en voor ons een totaal nieuwe wereld laten verschijnen. Niet de wereld van het voldongen, voltooide feit (‘fait accompli)’, maar – zoals MP het raadselachtig formuleert: een wereld van ‘faits ’s accomplissants’, zich voltrekkende feiten.

  1. Ons zijn in de wereld en het verkeerde schema

 MP wil de diepste laag van onze subjectiviteit  recht doen. Die diepste laag, het ondoorzichtige laagste niveau, is onze lichamelijkheid. Menselijk bestaan is wezenlijk een ‘in de wereld-zijn’, zoals Heidegger al heeft gezegd. In de wereld zijn verschilt van zich in de wereld plaatsen en van meet af omgeven worden door de wereld is dan iets anders dan die verhouding tot de wereld bewust en bedoeld aannemen. Maar het omgeven worden is óók iets anders dan uitgeleverd zijn aan een wereld die wordt beheerst door wetmatigheden. Uit dit dilemma wil MP uitbreken: of in de wereld opgaan en de vrijheid verliezen, of in een vrij gekozen houding zich tot de wereld verhouden. Hij kritiseert dit denkschema,  hoezeer het ook ingang heeft gevonden. Het is een vals dilemma waarvoor de verwaarlozing van het lichaamssubject de sleutel biedt. Lichamelijkheid heeft een eigen zin of betekenis, die niet pas vanuit door de menselijke geest wordt ontsloten. Het misverstand is dat het lichaam pas betekenis krijgt binnen het perspectief van de van geest die zichzelf bewust is of wordt. Het zogeheten heldere bewustzijn echter steunt op het voorbewuste. Om dit tot uitdrukking te brengen, stuiten we op onze ontoereikende taal. Deze inzichten zijn moeilijk te verwoorden in een taal die doordesemd is van het onderscheid tussen ziel en lichaam. Tegenover dit spreken in dualisme is een nieuwe taal nodig, waarin het lichaam als zowel stoffelijk als geestelijk geldt. MP’s poging daartoe is de  uitdrukking lichaam-subject of ik-lichaam. Maar de moeilijkheid is niet opgeheven. Daarom komen termen als ‘ondoorzichtigheid’ en ‘dubbelzinnigheid’ bij hem zoveel voor. Geen manco aan uitdrukkingsvaardigheid is dat. Eigenlijk het tegenovergestelde,Het oprechte toegeven en besef dat het lichaam, hoe direct ons ook nabij, het raadselachtig gegeven is dat fenomenologisch verheldering behoeft, niet vanuit de vertrouwde tegenstellingen, zoals subject-object. 

  1. Formulering en taal 

Ons contact met de wereld vindt plaats in het door het lichaam, we zijn al ‘in’ de wereld. Het medium van dat contact is het lichaam en meer specifiek, zijn senso-motorische functies. In dat contact staat de waarneming voorop. Wat gebeurt er als we waarnemen? Daartoe heeft MP de ontwikkeling onderzocht van taal, van denken en betekenis. Maar niet alleen taalverwerving, maar ook het gebruik van taal in kunst, poëzie,  zang en zelfs film. Hij komt dan als het om betekenis gaat, tot bijzondere, maar soms nauwelijks te doorgronden formuleringen, zoals deze De dichter schrijft niet op wat hij denkt. Wat hij uitdrukt in taal is ‘wat zich in hem denkt en zich in hem uitspreekt’. De schilder zet op het doek ‘wat zich in hem ziet’, zoals MP in zijn befaamde opstel over Cézanne zegt. Het is zinloos om aan hen te vragen wat ze eigenlijk wilden zeggen met hun werk. Wat er staat en gelezen of gezien kan worden, is niet wat ze hebben gewild (maar ook niet iets anders!). Eerder is sprake van een voor-weten, (‘présavoir’), waarin de grote scheppingen van dichters en schilders ontstaan, eerder dan in het bewustzijn en zelfs buiten het bewuste subject om.

8.1  Helder schrijven over ondoorzichtigheid

 MP laat zich kennen als een analytisch denker, een geduldig-registrerend waarnemer van de wereld, wetenschappelijk-bedachtzaam zoekend.  Steeds tastens naar voeling met de wetenschap en in die zin de oorspronkelijke intentie van Husserls fenomenologie volgend. Hij munt uit door zelfkritiek, hij is geleerde, wijsgeer, maar bovenal  schrijver (‘Aan degene die geen schrijver is, zegt het leven niets. Maar dat komt niet doordat iets onuitsprekelijk is, maar doordat men het vermogen mist om het te zeggen’). Helderheid van uitdrukking staat voorop, maar MP schrijft over wat principieel onhelder blijft. Woorden als ondoorzichtigheid, dichtheid, dubbelzinnigheid zijn kenmerkend. Bescheiden radicaal, evenwichtige hemelbestormer.

  1. MP vandaag

MP heeft nog steeds belang op verschillende gebieden. In de eerste plaats door zijn kritiek op concepten die in de wetenschap nog krachtig doorwerken, zoals de vergelijking met de menselijke geest met een computer en de bijbehorende argumentatie . Een psycholoog van de Radboud Universiteit vertelde me dat bepaalde inzichten van MP opnieuw ontdekt  op het gebied van de neuropsychologie, in verband met het mind-body probleem en wat ‘neuro-imaging’ wordt genoemd. Deze relevantie van de fenomenologie binnen een bèta context is op zichzelf verrassend en wellicht, in de termen van MP, hoopgevend.. Voorts vinden bepaalde opvattingen over ecologie steun in een gedachte van doorbraak van grenzen die aan MP is ontleend, een toepassing van zijn in-de-wereld zijn. Die bestaat in de hechte relatie tussen mensen, de natuur en andere schepselen in het belang van een wereld die wel menselijk is maar niet beperkt kan worden tot de mens. Tenslotte is er ook, heel apart, de serieuze bijdrage aan onderzoek bij vrouwenstudies, met als basis de al genoemde relatie tot de wereld als een ‘ik kan’. De Amerikaanse psychologe Iris Young heeft het ‘zijn-in-de-wereld’, de senso-motorische functies en de lichaamshouding onderzocht van vrouwen in de balsport, bij het gooien. (Throwing as a girl, 1990). Ze kwam met haar onderzoek uit op significante man-vrouw verschillen in gedrag en wijze waarop het lichaam wordt gebruikt en beleefd. Meisjes en vrouwen tonen voorkeur voor onderhandse actie. Mannen en jongens stoten de bal met hun hele lichaam, de andere sekse beperkt meer haar bewegingen. Dat kwam overeen met de bevinding dat vrouwen in de sport zich meer tastend-proberend en reactief opstellen dan het actieve en zelfverzekerde gedrag van mannen. Het ‘ik kan’ van MP heeft bij de twee seksen duidelijk verschillende betekenis. Binnen vrouwenstudies hebben deze onderzoekingen natuurlijk tot discussie aanleiding gegeven. De resultaten van voortgezet onderzoek waren er echter niet mee in strijd. 

 

.