De Deurloo’s komen van Tholen. We heten Deurloo omdat ooit een voorvader in de Deurloopolder woonde, een klein Thools poldertje, daterend uit 1373. We komen dus van Tholen, waar Karel en ik nooit hebben gewoond, maar waar we ons altijd  wel mee verbonden hebben gevoeld. Als Karel in “De dagen van Noach” vaststelt dat het thema van de grote vloed tot de universeel-menselijke oervertellingen behoort, zegt hij in de bijgevoegde noot : “De klokken van het in zee verzonken Reimerswaal kan men soms op de dijk van de Thoolse Deurloopolder horen als waarschuwing voor een komende stormvloed.” Die versie van een oude legende zegt uiteraard meer over de schrijver dan de bestaande realiteit.

Tholen hoort bij die brede strook die zich van zuidwest naar noordoost  door Nederland uitstrekt en die bekend staat onder de naam bible belt. Een meestal met een meewarige blik bezien landsdeel dat in de aandacht komt door romans van afvallige gelovigen uit de streek die hun jeugdtrauma’s willen overwinnen en krantenartikelen over mazelenepidemieën die zich daar voordoen vanwege de te lage vaccinatiegraad.  

Een land van brandend godsverlangen en dodelijke angst.

Een gebied waar de bijbel van kaft tot kaft zoals dat heet in ere wordt gehouden. Elke dag wordt na iedere maaltijd een hoofdstuk gelezen. Zo heb je in een klein jaar de hele bijbel uit en begin je weer overnieuw. 

Van zo’n levenslange oefening blijft wel iets hangen. Dat er veel mensen bijbelse namen dragen (mijn broer en ik zijn echt uitzonderingen) is niet verbazingwekkend. Je vindt er heel veel Abrahams, Izaäkken, Jacobussen, Rachels, Elia’s, Jezaja’s en Johannesen. Onze vader is zijn hele leven lang gebukt gegaan onder het feit dat hij dacht dat zijn voornaam Laban naar de bijbelse Laban verwees (wat tussen haakjes niet zo was). Toen wij zijn eerste kleinzoon naar hem wilden vernoemen, begrepen we wel dat we hem daar geen plezier mee deden. Mijn vrouw kwam toen op de geniale gedachte het kind naar de eerste kleinzoon van de bijbelse Laban te noemen, dus Ruben. Prompt kregen we van onze Zeeuwse familie te horen dat dat toch eigenlijk niet kon  omdat Ruben ‘het bed van zijn vader had  beklommen”, anders gezegd: met één van zijn vaders bijvrouwen geslapen had. Ik durf te wedden dat er maar weinigen in deze zaal zijn die op zo ’n reactie zouden komen. 

Psalmen waren de enige liederen die men zong. En natuurlijk met alleen hele noten, wat het geheel iets slepends en amechtigs geeft. Psalmen kent men uit het hoofd. Mijn vader onthield er huisnummers mee. 

Bijbels land. Een gebied waar mensen zich elke dag voelen staan onder het oordeel. Niet alleen de voortdurende dreiging: Geteld, gewogen en te licht bevonden, maar juist vooral de eeuwige voorbeschikking tot hemelse zaligheid òf tot de plaats waar het geween is en het tandengeknars. Een oordeel waar je volstrekt onzeker over bent – op die paar gelukzaligen na die ooit de ervaring hebben ondervonden van hun uitverkiezing. Zij die behoren  tot “het volkje”. 

Mijn familie hoorde nooit bij het volkje. Daarom gekweld door de voortdurende twijfel over hoe het oordeel zou uitvallen, Met tegelijk het besef dat jij als armzalige zondaar voor Gods rechterstoel  voortdurend tekort schiet. Een besef dat elke zondag  – en op andere dagen bij gelegenheid van ouderlingbezoek of een begrafenis – extra werd ingescherpt door voorgangers en voorbidders die vanuit hun eigen zelfverheffing de anderen  hun ellende voorhielden. Als mijn opoe zich aan de kachel brandde, dan voelde ze de hel al.

Dat de vader van Karel en mij zich aan die wereld ontworsteld heeft, mag een wonder heten. Mijn neven vele jaren later, koesterden tot hun dood dezelfde gruwelijke denkbeelden. Toen in Stavenisse met de stormramp in 1953 153 mensen (10 % van de bevolking) waren omgekomen, stelde één van hen ook vast dat de mensen daar toch wel erg slecht waren geweest.

at onze vader zich daarvan bevrijdde, kwam door de liefde. Hij werd verliefd op de jongste dochter van de posthouder die door de PTT in de jaren twintig in zijn geboortedorp werd aangesteld. Van die man wordt verteld dat als je om een postzegel kwam, hij je een uur aan de praat hield over godsdienstige kwesties. Ook als hij in de trein zat, knoopte hij gesprekken aan met wie tegenover hem zat. Altijd eindigend met de groet: “En als u nog eens in nood zit, denk dan terug aan het gesprek met de man met de hoed!’ waarop hij zijn onafscheidelijke bolhoed van het hoofd lichtte. Vorig jaar heeft zijn achterkleindochter Hermine nog een muziekstuk op hem gemaakt:  The man with the hat.

Voor de man met de hoed was de bijbelse boodschap pure genade. De mens is zondig en geneigd tot alle kwaad. Maar God vergeeft de oprechte zondaar.  

Hij was het buitenechtelijk kind van een moeder die verkracht was ’s avonds op weg naar huis, maar er stichtelijk voor bedankte om met haar verkrachter te trouwen. Te zwak voor het boerenwerk vond hij emplooi bij de PTT, waar hij door zijn ijver en behoefte aan zelfontwikkeling opklom tot hoofd van een dorpspostkantoor. Toen Karel twee was overleed hij en wij hebben hem dus nooit gekend dan uit de verhalen van onze moeder en wat er aan schriftelijke bronnen restte. Dat waren bijvoorbeeld de gebonden jaargangen van het maandblad De vriend des Huizes, sinds 1883 uitgegeven vanuit en ten behoeve van de weesinrichtingen in Neerbosch. De stichter daarvan en oprichter van het blad, J. van ’t Lindenhout, kwam voort uit het Reveil en was bevriend met Otto Heldring die in Zetten en Hoenderlo  opvanghuizen voor gevallen vrouwen en verwaarloosde kinderen had geopend. Die motivatie voor evangelisatie en sociaal werk vinden we ook terug bij de andere oprichter van de Vriend des huizes, de kinderboekenschrijver E. Gerdes, de dichter van Er ruist langs de wolken een heerlijke naam. Dat brengt ons dan direkt bij die andere bron: Johannes De Heer, wiens liederen bij ons thuis vaak bij het harmonium werden gezongen. Ter voorbereiding heb ik nog weer eens naar die naam gegoogeld en het viel mij op hoe vertrouwd veel van die melodieën en woorden mij klonken. Ik kon onmiddellijk meezingen. 

In onze moeder leefde onze grootvader voort. Of hij zo argeloos was als zij, weet ik niet, maar zij droeg zijn overtuigingen in volle zekerheid uit.  Tegenover iedereen. En met een hartveroverende naïviteit, die onze vader totaal niet met haar deelde. Hij had intellectueel veel meer in zijn mars, maar kon, als het er op aankwam,  niet tegen haar op. Echtelijke ruzies overleefden de avond niet. Mijn moeder nam Efesiërs 4:26:   “de zon ga niet onder over uw toornigheid” -zoals alle bijbelteksten – letterlijk. 

Met politiek had ze niets, maar Franco-Spanje kwam geregeld ter sprake als afschuwwekkend voorbeeld omdat Protestanten daar werden vervolgd. Een voortdurende waarschuwing voor wat òns te wachten stond als de Rooms-Katholieken door hun grote-gezinnenbeleid de meerderheid in Nederland zouden gaan uitmaken. 

Die angst sprak ze met dezelfde overtuiging uit tegen haar Rooms-Katholieke buurvrouw – met wie ze het overigens – en dat was wederzijds – goed kon vinden.   Ik kom nog even terug op dat woord ‘argeloos’. Dat heeft een wat negatieve kleur, maar het betekent toch in oorsprong: zonder kwaad. En dat was moeder, – volstrekt doorzichtig in haar eerlijkheid. Zonder kwaad – ook al zou ze dat zelf op bijbelse gronden ontkend hebben. Dat mensen willens en wetens kwaad kunnen doen, was voor haar in feite onvoorstelbaar. Daardoor ook kwetsbaar voor wie echt slecht wilde. Dat gold concreet voor onze N.S.B.-ers gebleven bovenburen. Jaren geleden heb ik een verhaal op rijm gemaakt over hoe kwalijk ze door die mensen bejegend werd. U kunt het op www.rijmerij.nl vinden onder de titel Buurman Bruin. Zij leed. Juist omdat ze het niet kon begrijpen. Ze hield dankzij haar overtuiging vol. En voor haar was heilig: Kwaad mag niet met kwaad worden vergolden. 

Onze vader ging die buren om zijn redenen uit de weg. Te verstandig en te overlegd om zich te verwikkelen in uitzichtloze situaties en discussies.  Daarom bleven de verhoudingen met zijn familie ook goed, ook al stak hij zijn mening nooit onder stoelen of banken. Dat hij bij het sterfbed van zijn doodsbange moeder (dat is geen clichee!) de bezoekende ouderling van de trap heeft afgegooid, was daarvan de klinkende bevestiging. Hij wist wat hij moest doen. 

Zo was dus ons gezin in het begin van de jaren vijftig. Kort naar de oorlog verhuisd naar Amsterdam, waar onze vader direkt thuis was en genoot van zijn nederig belastingambtenaarbestaan, dat hem in contact bracht met kunstenaars als Carel Willink en schrijvers als Bertus Aafjes. Ouderling-kerkvoogd van de Maranathakerkgemeente A. Maar vaak ook kerkend bij Groot Zuid. Samen met moeder lid van het Maranathakerkkoor totdat Frits Mehrtens hen eruit gooide omdat ze z.i. te oude stemmen hadden. 

Midden-orthodoxie. CNV-lid. NCRV. (Maar pas televisie in huis, toen de jongste zijn eindexamen had).Boeken van de Nobelreeks uitgegeven door de firma  Callenbach te Nijkerk. Maar voorgelezen door onze vader en die kon het! Hij was een rasverteller en een heel precies voorlezer. Altijd erop bedacht de aandacht van de lezertjes erbij te houden. Als hij daaraan twijfelde, vlocht hij onze voornamen in het voorgelezene in. “Dat staat er niet !” riepen wij prompt  – want in tegenstelling tot wat hij dacht, waren wij wel degelijk bij de les.  Van die truuk heb ik overigens later als leraar nog veel plezier gehad.

Verder over het gezin Deurloo in de jaren vijftig: Stemmen op de minst politieke van de toenmalige politieke partijen, de CHU. Het Dagblad Trouw. Tot Karel vond dat we het Algemeen Handelsblad moesten nemen. En dat gebeurde ook, want ‘die jongen moest zich ontwikkelen’. Vader was ooit gefnuikt in  zijn eigen ambitie en daarom moesten zijn zonen die waar maken. Dat was voor ons niet altijd makkelijk.

 Maar daardoor juist ook plaats voor discussie. Door de kernwapenkwestie heeft  vader minstens eenmaal PSP gestemd. Christelijk nationaal onderwijs. Eerst de Zuiderschool, daarna het Hervormd Lyceum in Zuid. Dat sloot daar goed op aan. Alle kinderen van Karels latere hoogleraar Beek zaten er ook op.

Die schoolkeuze is voor Karel (en dus ook voor mij) bepalend geweest. Hij opende perspectieven die verder dan de school gingen. Om dat alvast maar even te noemen: via de school kwam hij in een groepje leerlingen (waar ook zijn latere echtgenote Jettie deel van uitmaakte) onder het gehoor van mevrouw Guldener die inleidingen verzorgde in het Rijks- en het Stedelijk Museum. Zo aanstekelijk dat hij prompt zich ging toeleggen op het zelf maken van tekeningen. En museumbezoek hoorde sindsdien bij het wekelijks patroon. Met zijn schoolvriend August Willemsen hing hij stiekem in het Stedelijk een abstrakt schilderij van Paul Klee ondersteboven. Ja dat kon nog in een tijd zonder camerabewaking! Toen ze een week later ontdekten dat het schilderij nog steeds op zijn kop hing, gingen ze dat zelf melden, waardoor ze prompt het aura van oplettende kunstkenners verwierven dat zelfs nog een vermelding kreeg in De Telegraaf. 

Van alle schoolvakken werd voor Karel Nederlands het voornaamste. 

De ontmoeting met taal, met het woord. Ik beperk me tot de twintigste-eeuwse poëzie: 

Paul Rodenko, Jeldican en het woord

Over de heide
kroop Jeldican,
de staart tussenbeide
stomp vooraan.

Op gloeioren hing er een
belletjespet;
tussen twee vingeren
‘t zwaluwnet.

………

Kiekt het te hangen
aan bontekoord?
Hoe kan ik het vangen,
dat lieve woord’ –  enzovoort, enzovoort

Lucebert:

Ik tracht op poëtische wijze

dat wil zeggen

eenvouds verlichte waters

de ruimte van het volledig leven

tot uitdrukking brengen

Nijhoff:

wat zou mij nog de wereld verbazen?

Sneeuw met kerstmis, een ei met Pasen.

Maar ook:

Wees hier aanwezig, allereerst geest,

die over wateren van aanvang zweeft

elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.

Al wat geschiedt, geschiedt nog voor het eerst.

Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,

En Jonas preekt, maar niet te Nineve.

tot – volgens Karel (met enige aarzeling) toch de grootste:

Achterberg, De werkster

Zij kent de onderkant van kast en ledikant..

….

God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,

gaande de gouden straten naar Zijn troon,

al slaande met de stoffer op het blik

Symbolen worden tot cymbalen…..

Op het HL kreeg Karel Simon van Lienden als leraar Nederlands. Simon van Lienden was een briljant, kritisch, uiterst geestig, bevlogen leraar, maar ook een moeilijk, kwetsbaar en daardoor vaak sarcastisch, ja soms cynisch zich uitend mens. Voor zijn sexuele geaardheid was in de toenmalige maatschappij geen  begrip en  al helemaal geen ruimte. Dat leverde dus altijd spanningen op. Door schoolleiding, collega’s en leerlingen werd hij gehaat en gevreesd of – er was, denk ik, geen tussenweg –  op handen gedragen. Pas na zijn pensioen kwamen in het gezelschap van oud-leerlingen zijn zachtere kanten boven. 

Zeer taalbegaafd had hij in normale omstandigheden een academische carrière doorlopen naar een hoogleraarschap Neerlandistiek of Algemene Taalkunde. Maar zoals we nu weer weten zijn er geen normale tijden. Toen hij wilde afstuderen, moest hij als student de loyaliteitsverklaring aan de Duitse bezetters tekenen. En daar haperde de ontwikkeling. Uiteindelijk werd hij leraar op een middelbare school en kwam het nooit tot een promotie. Nog sterker: behalve een vertaling van een opstel van Kierkegaard Over het verschil tussen een genie en een apostel – een brochure in de Elthetoreeks die op initiatief van mijn broer als praeses van de NCSV tot stand kwam – heeft hij nooit iets gepubliceerd. Maar juist als leraar van een middelbare school kwam hij het meeste tot zijn recht. Want zo ’n leraar, als opleider tussen de onderwijzer van de lagere school en de hoogleraar van de universiteit, heeft een existentiële rol in de ontwikkeling van een mensenleven. De onderwijzer is nog in vele opzichten het verlengstuk van de ouders, maar voor de puber die zichzelf en de wereld ontdekt, heeft een leraar een functie die de grenzen van zijn vak overschrijdt. En de ware leraar verbreedt de betekenis van zijn vak naar de einden der aarde. Van Lienden gaf Nederlands, maar daarin kregen zijn leerlingen deel aan de hele Europese cultuur en haar grondslagen in Rome, Athene en Jeruzalem. En laten we de Germanen daarbij niet vergeten: Nederlands is per slot van rekening een Germaanse taal in al haar heidense vezels. Voor Simon van Lienden, voortkomend uit dezelfde midden-orthodoxie als de broertjes Deurloo, maar dankzij Miskotte gegroeid naar een veel breder blikveld, was de keus tussen Edda en Tora van een voortdurende actualiteit. Op dat brave, burgerlijke, in vele opzichten christendommelijke Hervormd Lyceum, kon dat bij tijd en wijle als dynamiet werken. Toen op 31 januari 1956, de verjaardag van kroonprinses Beatrix, de dagelijkse(!) ochtendopening (eerst een psalm of gezang, dan het voorlezen van een stuk uit de bijbel en afgesloten met  gebed) – Toen dus op die verjaardag van Beatrix begonnen moest worden  met het staande (!) zingen van het Wilhelmus (Gezang 301 voor wie zich het nog herinnert), bleef Simon van Lienden ostentatief zitten. “Voor zo ’n meid sta ik niet op!”. Precies: Alleen God de eer.

Die man wees Karel, toen die op bezoek kwam om over een universitaire keuze voor het vak Nederlands te praten, de weg naar de theologie. Karel volgde die raad op. Geen filologie, liefde voor het woord, maar om het mooie woord van Johann Georg Hamann te gebruiken: filologia  dei, liefde voor het woord van god. een liefde die het woord van mensen niet uitsluit, maar juist omvat. Hamann, die we ook dankzij Simon van Lienden leerden kennen, naast Pascal en Kierkegaard.

Ik weet niet of naar aanleiding van die keuze van Karel, Van Lienden bij ons thuis op bezoek is geweest. Wel dat van Lienden bij die gelegenheid op de vraag van mijn vader naar het gedrag van leerlingen in de klas (natuurlijk met zijn eigen zoontjes voor ogen) , ironisch antwoordde dat het vaak  ‘vee van Laban’ was. Een antwoord dat tot zijn verbazing bij ons grote hilariteit verwekte.

Zo zijn we dus vanuit Tholen in de grachtengordel belandt. Tholen: dat verlangen van: “och mochten we toch nog eens mochten kommen te zugen an de tepeltjes van joe genade!’  Via de liederen van Johannes de Heer ‘ruisend uit ’s hemels zalen, over de glazen zee-ee’  naar het Amsterdam van Cobra en de Vijftigers .

Geen geboren Amsterdammers, maar wel Amsterdammer met hart en ziel. De Amsterdamse school. Een benaming die Karel te veel eer, maar wel leuk vond. De grachtengordel. dat was de theologische faculteit met Beek en Lied van Dalen, Dat was Nico Bouhuys. Dat was het theologisch dispuut LOS. Dat was het Mokum waar dankzij zijn bemoeienis Breukelman naartoe werd gehaald. De plaats waar dat toekomstverhaal van Genesis ging klinken. De plaats van de mens en zijn broeder. Maar over wat zich in de grachtengordel afspeelde, wil ik het niet hebben. Daar heeft Joep Dubbink over geschreven.

Eén onderdeel van Karels achtergrond is nog niet aan de orde gekomen. Vanaf zijn zesde kreeg Karel les op het harmonium. Wij hadden daarvan een vorstelijk exemplaar in huis met een hoge opbouw boven de speeltafel met een kast voor de muziek, een spiegel, pinakels en platformpjes, waarop de gipsen borstbeelden van Mozart en Beethoven stonden. Toen Karel als middelbaar scholier zich ook muzikaal ontwikkelde, werd op zijn voorstel dat gevaarte verkocht en vervangen door een spinet. Het begin van Karels activiteiten op klaviersnaarinstrumenten. Dat zou later leiden tot het zelf bouwen van een clavichord en de aankoop van clacecimbels, het laatste een exemplaar dat Gustav Leonhardt bij gelegenheid vaak van hem wilde lenen. 

Ik heb Karel vaak horen – en vooral ook zien! – spelen. Zoekend hoe hij Couperin, Scarlatti en noem maar op, Froberger, het beste tot hun recht kon laten komen. Die stemmen uit vroeger eeuwen laten horen. Als uitvoerder nooit klavierleeuw, nee: dienaar. En daarin gelukkig, zo gelukkig als een mens kan wezen: de muziek mag het zeggen.